Verkleurt de groene stad Almere?

Over erkennen, behouden en laden van programma


Bijeenkomst 23 mei 2019

Auteur: JaapJan Berg

Sprekers: Christian Zalm en Hester Kersten

 

De eerste twee presentaties van de lezingenreeks ‘Polderperspectieven’ zijn een feit. Met lezingen van respectievelijk Christian Zalm, één van de Peetvaders van Almere, en Hester Kersten, landschapsarchitect bij de gemeente Almere, start de verkenning van het huidige en toekomstig landschap op 23 mei 2019. Vragen over de bestaande kwaliteiten, bedreigingen, aanpassingen kansen worden vanuit verschillende perspectieven aan de orde gesteld. De doelstelling van deze serie is om, naast het delen van kennis en begrip, een geactualiseerd beeld en inzicht te krijgen in zowel de huidige conditie als de urgente aandachtspunten van het landschap in en om Almere.

Zalm begint zijn bijdrage met het statement dat de bedachte stad Almere eigenlijk opnieuw zou moeten worden uitgevonden. De huidige grote en complexe opgaven, waaronder de bouw van 60.000 woningen, energietransitie en stadsvernieuwing zijn immers zeer ingrijpend en omvangrijk. Veel delen van de huidige stad voldoen niet of minder aan de nieuwe criteria en dienen dus te transformeren of in het nieuwe licht gewijzigd te worden.

In relatie tot de staande bouwopgave en de verdere volwassenwording van de stad rijst de meer specifieke vraag hoe dat traject en die opgaven zich verhouden tot het bestaande groen-blauwe raamwerk dat de stad in zekere zin structureert. Is dit onderdeel uit de eerste fase van de bedachte stad eveneens rijp voor transformatie en herijking? Of voldoet het onverminderd als kwalitatief podium voor de suburbane stad, inclusief de nieuwe opgaven?

Zalm beantwoordt de vraag met een verwijzing naar een aantal aanvankelijke gedachten uit de tijd dat hij nog actief ontwierp aan de stad. Gedachten en opvattingen die, opvallend genoeg, tevens een parallel vormen met de huidige situatie. Het landschappelijk element, de groene ruimte van Almere, was en is namelijk nog steeds allesbehalve veiliggesteld. Ten tijde van het bedenken en uitwerken van het Almeerse Stadsconcept in de jaren 70, waarbij stad en landschap zich zouden verenigen in een geheel eigen en Almeers woon- en leefmilieu, was de status van de groene mal allesbehalve geconsolideerd. Dit onderdeel bleef, ondanks de overduidelijk onderscheidende aspecten in relatie tot bestaande steden en stedelijkheid én in de context van de Randstad, onvoldoende duidelijk gedefinieerd. Dat was geen faux pas, maar grotendeels het gevolg van een bewuste over- en afweging. De onvoltooide en ‘open’ status werd moedwillig opgezocht en gecreëerd door de ontwerpers van het eerste uur. Zo hield men nadrukkelijk rekening met de factor tijd en incorporeerde daarmee flexibiliteit en uitwisselbaarheid in het bedenken, aanleggen en ‘vullen’ (programmeren) van het groen in Almere. Anders gesteld, men kon en wilde de groene delen van de stad niet volledig en ‘vol’ programmeren. Daartoe moesten deze gebieden, alsmede de stad zelf, verder tot ontwikkeling komen. In beide gevallen hield men dus de opties open. De kennis van dat moment gaf onvoldoende garanties voor een trefzekere en eenduidige invulling voor de toekomst. Men creëerde zo eigenlijk ruimte in de groene ruimte.

Dat ging niet altijd zonder slag of stoot en in sommige gevallen ‘won’ stedelijk programma, het van het groen. Dit door druk die ontstond in de stad zelf (groei) of komend uit de omliggende metropool. Maar grosso modo slaagden Zalm en zijn collega’s erin om de aanplant van veel groen vooral als een voorinvestering in het te ontwikkelen woon- en leefmilieu van de (toekomstige) Almeerder veilig te stellen. Het accent lag daarbij, opvallend genoeg, minder op het direct te gebruiken groen zoals een buurtpark, speeltuin of begraafplaats. Het overgrote deel van het groen in het Almeerse Stadsconcept werd betekenisvol ‘De Buitenruimte van Almere’ genoemd. Die ruimte werd gedefinieerd op de schaal van Almere als geheel én in aansluiting op de omgeving, het ommeland. Daarbij was de bereikbaarheid vanuit de woonbieden overigens essentieel. De buitenruimte vormde zo een spinnenweb van groene ruimten en verbindingen. Een ruimte die aansloot op en zich hechtte aan de dijken en kusten, en aan de ruimte van de resterende polder.

Daar waar men meer intensieve ontwikkeling van het groen verwachtte, of op anticipeerde, werden zogenaamde landschapsontwikkelingszones voorzien. Doorgaans waren dat delen van de Buitenruimte die minder in de luwte lagen of zouden liggen. Ruimte tussen de zich ontwikkelende woonkernen die eerder een andere functie of invulling konden verwachten dan de grotere ruimten daarbuiten of die verder van de woongebieden verwijderd lagen. Het was een strategie van open laten die kansen creëerde voor spontane ontwikkelingen, maar ook bedoeld was om gericht te programmeren. Volgens Zalm was het credo daarbij steeds om groen te maken dat bedoeld was voor bewoners; een mensenlandschap.

Zalm haalt gedurende zijn bijdrage het voorbeeld aan van Almeerderhout dat zowel Buitenruimte als landschapsontwikkelingszone was. Delen van het gebied werden aangemerkt als Buitenruimte vanwege hun ligging grenzend aan het polderlandschap. In andere delen van Almeerderhout werd het groen juist ontwikkeld door middel van toegevoegde functies zoals een infocentrum voor biologisch tuinieren (later uitgegroeid tot Stadslandgoed De Kemphaan) en het Cirkelbos dat geleidelijk werd getransformeerd tot een museumbos.

Inmiddels is de oorspronkelijke groene ruimte verder gegroeid en in zekere zin bestendigd. Maar nog steeds kleeft het groen in Almere (nabij de kernen, perifeer gelegen of niet) een bepaalde factor van gecreëerde en geconditioneerde vrijblijvendheid aan. Dat is een evidente kracht die zowel verrassend, alsook zorgwekkend is. Almere ontleent namelijk in belangrijke mate haar identiteit, aantrekkelijkheid en ruimtelijke flexibiliteit aan de groene, ruime ruimtelijkheid die de stad heeft. Groen is zo gezien niet minder dan de bruidsschat van de stad.

Dat die factor een bepaalde mate van bedoelde flexibiliteit en willekeurigheid (nog niet-bestemdheid) bezit, maakt haar ook kwetsbaar. Zonder die waarde en betekenis echt en volmondig te erkennen en zonder een nieuwe en dwingende betekenis van het groene deel, valt Almere namelijk terug tot een gewone stad. Het groen verleent deze stad dus bij uitstek haar identiteit, aldus Zalm. Dat moet met hoofdletters geschreven worden en zou vervolgens ingelijst in elke wethouders kamer opgehangen moeten worden. Maar ongeacht de effectiviteit van zo’n actie schuilt er onverminderd een paradox in het groene gegeven van de stad. Als het groen van Almere, de buitenruimte, essentieel en waardevol als onderscheidende factor voor de stad is dan moet die ondubbelzinnig zijn. Maar het wat verwarrende feit is dat het die essentiële kwaliteit en waarde juist heeft het kunnen verkrijgen door het bewust niet te programmeren en het enigszins indifferent laten van bepaalde delen. Niet programmeren leek een tegenstrijdig, maar effectief middel. Maar met de verder groeiende stad, stedelijkheid en toename van programma is de conditie van groene ruimte nu in toenemende mate kwetsbaar te noemen. Een cruciaal onderdeel van de kracht van Almere in dus eigenlijk bovenmatig zwak. Wat het landschap van Almere nodig heeft is (nieuwe) betekenis. Bij het uitblijven daarvan dreigt het mogelijk vanzelf te verdwijnen.

Tegen de achtergrond van die waarneming, in het licht van de verder groeiende stad én met de nieuwe opgaven die zich aandienen op het gebied van duurzaamheid en verdichting, verdient die paradoxale kracht- en zwakte van het groene Almere zorgvuldige en vooral voldoende aandacht. Die krijgt het gelukkig ook, bijvoorbeeld in de persoon van Hester Kersten, landschapsarchitect bij de gemeente Almere. In die rol houdt zij zich bezig met het verder laden van programma in de groene ruimte. Naar gelang het type programma, betreft het daarbij enerzijds om gebieden die door Zalm zijn aangeduid als Buitenruimte, anderzijds om (voormalige) landschapsontwikkelingszones. De vraag die nu opspeelt is of de stad nu inmiddels wèl voldoende gegroeid is of de relatieve terughoudendheid, die in het begin van Almere ten aanzien van het groen gold, nu ‘losgelaten’ kan worden. Is Almere nu zo groot en heeft het dermate veel programma nodig dat de groene ruimte daar nu daadwerkelijk voor ingezet kan worden, zoals dat deels altijd de bedoeling was?

Kersten en haar collega’s zijn in de eerste instantie bezig met het gebruiken van de ‘geplante’ stad van Zalm en zijn collega’s. Daarbij werkt zij dus met groen erfgoed in combinatie met vragen uit de huidige stad. Vooral dat laatste zorgt voor een soms onvoorspelbare dynamiek. Veel wensen en verwachtingen – van zowel bewoners, gebruikers als politici – met betrekking tot het gebruik en programmeren zijn voortdurend in beweging. De factor dat ontwerpers meer rekening moeten houden met bewoners, gemeenteraad en bestaande stad vormt een onderscheidend verschil met de tijd dat Zalm actief was. Waren er toen geen of minder inwoners, nu vragen de vele meningen ook om een bepaalde en vooral andere wendbaarheid in handelen en ontwerpen. Om de relatieve hectiek met steeds wisselende verwachtingen het hoofd te kunnen bieden is het vooral noodzakelijk om steeds voldoende draagvlak te zoeken en geduld te hebben. Belangrijk in de optiek van Kersten is om het landschap steeds actief te blijven benaderen. Dus niet op voorhand te gaan voor behoud en het koesteren van wat er is. Die actieve houding en aanpak zorgt soms voor spanning en vragen. Maar die scherpte is nodig om de juiste route in de omgang met groen en landschap te vinden, aldus Kersten.

De basis voor deze aanpak en visie is in 2009 gelegd met het gemeentelijk werkdocument ‘De Groenblauwe hoofdstructuur van Almere’. Daarin zijn, naast een visie die gedeeltelijk teruggrijpt op die van het Projektburo Almere en de RIJP, de verschillende landschappelijke structuren in de stad benoemd: wiggen, polderlijnen, plantage, rand en iconen. Verder hanteert de gemeente drie leidende ontwerpprincipes in relatie tot het landschap en groen van Almere: Voortzetten van de groentraditie met differentiatie (koesteren van het bestaande en uitbouwen met gedifferentieerd gebruik); van introvert naar extravert (meer gebruik maken van landschappelijk kwaliteiten aan de randen van de stad) en voor-investeren in Oost en West (dus de gebieden Poort en Pampus én de gebieden Almeerderhout en Eemvallei).

Langs deze structuren en met deze principes zijn vervolgens de afgelopen jaren dertien projecten uitgewerkt. Dat gebeurt nadrukkelijk in samenwerking en dialoog (bosdialoog) met bewoners, maar ook met gemeente, Staatsbosbeheer, Flevolandschap, Provincie en Rijk. Niet in de laatste plaats om de kosten van de projecten (>300 miljoen Euro) te kunnen dekken.

Bij een aantal van deze projecten gaat het om onvervalste landschapsontwikkeling, zoals bijvoorbeeld in Pampushout waar een polderbos dat aan de ‘achterkant’ van de stad terecht was gekomen weer een echt stadsbos werd. Bij andere, zoals de Eemvallei, wordt in de geest van de Buitenruimte, gewerkt aan een nieuw landschap en natuurontwikkeling in een gebied waar de loop van de oer-Eem als aanknopingspunt gebruikt wordt. Ook Almeerderhout wordt steeds verder ontwikkeld en verfijnd qua beheer, samenhang en herkenbaarheid. Zodat het echt hét stadsbos van Almere kan worden. In grote lijnen zijn dit projecten die in de geest van de visies van Zalm en latere landschapsarchitecten worden gecontinueerd of gerealiseerd.

Daarnaast dient de stad de verhouding tot het groen en landschap voortdurend te herijken, aldus Kersten. Dat wordt afgedwongen door discussies en veranderende zienswijzen over beheerskosten, de roep om circulair denken en de noodzaak van duurzaamheid en energietransitie. Veel van deze programma’s kunnen en zullen impact hebben op zowel de kwantiteit als kwaliteit van het bestaande landschap. Er wordt in de omgang daarmee door de gemeente gewerkt met verschillende waardes van de natuur voor de stad: de basis (bronnen en diensten), de beleefbaarheid (beleving en toegankelijkheid) en de identiteit (imago en ‘groene’ iconen). Zaken gerelateerd aan klimaatveranderingen vallen in dat geval in de categorie basis. De invloed en gevolgen van verstedelijkingen zijn meer te relateren aan de categorie beleefbaarheid. Andere aspecten die hierbij aan bod komen zijn, bijvoorbeeld, toerisme, demografische ontwikkeling en gezondheid.

Er komt dus veel op het groene Almere af en dat zorgt voor een bepaalde druk op het ‘systeem’. Die druk is zowel positief (kansen) als negatief (bedreigingen) te kwantificeren. De omgang met het groen vraagt daarom om een zorgvuldige en uitgebalanceerde dialoog. Een die continu gevoerd, en ververst wordt. Daarbij is het zaak een weg te vinden die zowel de kwaliteiten (o.a. wonen in het groen, robuust groen-blauw raamwerk, veel recreatiemogelijkheden, gunstige ligging in de regio en hoge biodiversiteit in de stad) als aandachtpunten (o.a. imago, vestigingsklimaat, verhouding rood/groen, verbindingen tussen natuurgebieden en klimaat-adaptieve inrichting) honoreert.

Om die balans te vinden is een eenduidig of eenmalig antwoord of visie niet realistisch (laat staan mogelijk). De vraag naar de relatie tussen stad en groen is daarentegen een constante, deels repeterende plaat waaraan steeds weer geactualiseerde vragen en antwoorden worden toegevoegd. De vaakst gerepeteerde vraag in relatie tot groen en landschap is ‘Wat voor stad Almere wil zijn?’. Hoe en waar is de stad meer dan een optelsom van groen en stedelijkheid? Vanuit het steeds opnieuw vaststellen van criteria kunnen vraagstukken met betrekking tot stedelijke verdichting, klimaatverandering, energietsransitie, bewonerswensen en financiering effectief, maar slechts voor een tijdelijke duur beantwoord worden. Er doemen immers onvermijdelijk weer nieuwe kwesties en vragen op die een bijstelling van het eerdere antwoord betekenen.

De factor tijd waar Zalm over sprak heeft zo dus in de loop der jaren een andere betekenis en lading gekregen. Waar tijd aanvankelijk voor geduld en flexibiliteit stond, moet het nu meer gelezen worden als relatief en voor het in acht nemen en het besef van bepaalde groene houdbaarheidsdata. Groen is daarmee in de jonge geschiedenis van Almere nog nooit zo vanzelfsprekend geweest als een factor met potentie, maar was ook nog nooit zo ambivalent. De vraag is wat deze paradoxale situatie voor effect zal hebben op de verdere verkleuring van Almere. Worden het geleidelijk meer tonen groen of ontstaat er een veelkleuriger pallet? Zeker is echter één ding: groen verandert eenvoudiger in rood dan andersom…

META

Lezing, verslag, Christian Zalm, Hester Kersten

De lezingenreeks Polderperspectieven is mede mogelijk gemaakt door Cultuurfonds Almere, Rabobank en vele vrijwilligers.

Cultuurfonds Almere

Related Works