De menging van stad en landschap in het ruimtelijke ontwerp


Lezing 4
Bijeenkomst 20 november 2019
Verslag: JaapJan Berg
Spreker: Steven Delva


Aan de hand van zijn eigen werk geeft Steven Delva deze avond meer inzicht over de vaak vernieuwende mogelijkheden om door ruimtelijk ontwerp stad en landschap beter met elkaar te mengen. Een propositie die in het licht van de Almeerse conditie vooral zou kunnen betekenen dat er zowel meer stad in het landschap zou moeten ontstaan alsook een voortdurende verbinding tussen stad en landschap moet worden bewaakt. Het bureau Delva Landscape Architecture & Urbanism probeert in de eigen praktijk voortdurend de veranderende condities op het niveau van stedenbouw, economie, waterbeheer en landschap steeds te bevragen en op innovatieve wijze tot soms onverwachte voorstellen of oplossingen te komen. Daarbij wordt door Delva steeds geprobeerd de gedachten en motivaties achter een opgave of ontwerpvraag te doorgronden en te ontrafelen. Niet zelden slaagt het bureau er vervolgens daardoor in om alternatieve en (vaak) effectieve oplossingen te bieden en uit te werken.

 

Makers District

Een goed voorbeeld van die analytische denk- en handelswijze is de transformatie van het M4H-gebied in Rotterdam waar het bureau van Delva bij betrokken is. De opdracht was hier om een masterplan voor een gebied te maken dat in omvang vergelijkbaar is met het bestaande centrum van de stad. Het betreft een oud havengebied waar de oorspronkelijke functie vervangen gaat worden door een mix van wonen, werken en recreëren. Delva maakte als antwoord op de vraag geen ouderwets blauwdrukplan maar koos voor een framewerk. Een serie richtlijnen waarmee het gebied stapsgewijs en in fases kan veranderen van haven tot stad. Daarbij zijn zowel het Havenbedrijf als de gemeente als opdrachtgever betrokken. De transformatie is een proces naar een Makers District toe. Een gebied waar nieuwe en oude elementen van maken, werken, district en stad samenkomen. Delva werkt hier met een duidelijke visie en nadrukkelijk samen met opdrachtgevers en andere betrokkenen (co-design) aan een nieuw stuk stad. De omvang en complexiteit van zowel de ruimtelijke- als functieverandering, de vergroening, de betrokkenheid van oude en nieuwe gebruikers is dermate groot dat het onmogelijk met één plan of actie bereikt kan worden. Dat zou ook ten koste gaan van de rijkdom en veelzijdigheid die uit een geleidelijk proces voortkomen. Door stapsgewijs te denken over, werken en ontwerpen aan verschillende milieus met groen, verbindingen en multimodaal gebruik groeit het beoogde resultaat aan de hand van een aantal leidende principes voor het hele gebied. Door het invoegen van meerdere belangen en wensen (collectiviteit en circulariteit) ontstaan veelzijdige doelstellingen waar wonen, werken, maar ook recreatie inpassen. Op deze manier is het ‘nieuwe’ gebied direct en harmonieus verbonden met de stad. Bovendien voedt het de stad ook op zowel economische wijze als door een kwalitatief stedelijk gebied met toegevoegde waarde.

 

Meervoudig groen

Het Rotterdamse voorbeeld dat Delva aanhaalt laat ook zien dat groen in deze context een meervoudige rol speelt. Groen in het M4H-gebied is een niet weg te denken onderdeel van de economische betekenis van het gebied. Groene (park)zones hebben hier een economische ‘lading’ omdat ze bijvoorbeeld kunnen dienen voor presentaties door bedrijven uit het ‘makers district’. Daarnaast worden de groene delen ook nadrukkelijk dubbel gebruikt voor bijvoorbeeld waterretentie en -buffering.

De wijze waarop het gebied zich ‘ontwikkeld’, en dus niet ontwikkeld wordt in de oude betekenis, trekt veel belangstelling van bedrijven, (culturele) instellingen en kunstenaars. Daarmee wordt de keuze voor `een framewerk dus herkend en gewaardeerd door meer en andere partijen (dan gebruikelijk bij gebiedsontwikkeling). Dit brede enthousiasme is cruciaal om ook de verdere ontwikkeling collectief verder te brengen. Vanaf het gegeven framewerk en met de leidende principes gaan zo vervolgstappen getest en eventueel bijgesteld worden. De partijen, waaronder ondernemers, havenbedrijf en anderen, worden deelgenoot van de plannen en produceren ook ideeën die aan de gemeente gericht zijn.

 

Buiksloterham

Ook in een ander oud havengebied, in Amsterdam Noord, werkt Delva aan een transformatie die leidt tot een mix van wonen en werken. Hier wordt door het denken in lange (ruimtelijke) lijnen weer een verbinding met stad en omgeving gezocht. Die schaal is in de huidige situatie niet meer voorhanden. Ook het groen is in de bestaande situatie erg minimaal van omvang. Daarnaast is er in het gebied veel vervuilde grond aanwezig. Een ander bijkomende uitdaging is dat de gemeente voor de nieuwe plannen hoge eisen stelt aan dichtheid en het aantal te realiseren woningen (8000). Het was derhalve de vraag of die eisen wel verenigd kon worden met de ruimtelijke ambities van de ontwerpers.

Delva vond een oplossing in het toevoegen van nieuw groen langs het water én het laten liggen en isoleren van de vervuilde grond. Zo kunnen nieuwe delen ‘toegevoegd’ worden en vooral weer lange lijnen en verbindingen in het gebied gerealiseerd worden. Tegelijkertijd is voorgesteld het aantal wegen (t.b.v. autoverkeer) relatief laag te houden. Dat creëert extra ruimte voor andere functies, zoals nieuwe visies op mobiliteit. In plaats van wegen met veel geparkeerde auto’s erlangs wordt nu gewerkt in de richting van ‘hubs’ waar (deel-)auto’s en fietsen geconcentreerd worden geparkeerd. Het tekent de werkwijze van Delva. Ook hier wordt slim doorgedacht hoe de gemeente haar financiële verdienmodel kan optimaliseren. In plaats van het uitgeven (lees verkopen) van plots aan projectontwikkelaars wordt voorgesteld om te snijden in de kosten. Zo wordt ruimtelijke kwaliteit (en regie) gekoppeld aan financiële opbrengst. Evenals in het Rotterdamse M4H-gebied zijn daarom ook in Buiklsloterham weer ‘guiding principles’ opgesteld die als framewerk voor de ontwikkeling ingezet worden. Het credo is ook hier: door slim koppelen en programmeren van combinaties kan geld verdiend en bespaard worden én kan de ruimtelijke kwaliteit beter bewaakt worden.

Volgens Delva zijn de aangehaalde voorbeelden overigens niet uitsluitend voorbehouden aan grotere steden. Ook Almere zou bijvoorbeeld kunnen streven naar een betere en rijkere mix van wonen en werken waarbij het inbreien van functies en slim koppelen tot nieuw elan kan leiden. Het vraagt wel afstand nemen van sectorale denken en werken en open staan (lef hebben) voor het combineren van financieel, ruimtelijk en ander programma.

 

Geleidelijk

De praktijkvoorbeelden uit Gent en het gebied langs de Rotte die Steven Delva aanhaalt bevestigen het beeld van zorgvuldige, inventieve en geduldige werk- en denkwijze. Nadat een doel of ambitie is geformuleerd gaat veel aandacht uit naar het verbinden van programma en spelers/betrokkenen. Niet zelden wordt daarbij een relatief open en nog niet te gedetailleerd plan gebruikt. Partijen worden ‘verleid’ om mee te denken en zodoende van hun vaste posities en ideeën af te stappen. Er ontstaat zo een nieuwe interpretatie van ‘projectontwikkeling’. Eén waarbij partijen elkaar versterken, mee gaan denken en samenwerken. Daarbij zijn tijd en geleidelijkheid belangrijke factoren. De procesmatige en relatief open trajecten die Delva laat zien vragen om geduld en vertrouwen.

Delva is de eerste om toe te geven dat die factoren niet altijd aanwezig zijn door bijvoorbeeld druk vanuit woningmarkt of vanwege andere (economische) redenen. Dan wordt als vanouds snel en op basis van een blauwdruk ontwikkeld en gebouwd. Maar zelfs in die gevallen slaagt Delva er soms in om de gewenste druk en snelle ontwikkeling in te zetten. Zijn bijdrage aan de groenvisie voor de Zuidas is daar een goed voorbeeld van. Bij de ontwikkeling van dit gebied is de druk om snel en concreet te bouwen bijzonder groot. Delva heeft die pressie gebruikt om een plan voor de verbetering en vergroening voor elkaar te krijgen. Het voorziet in een grootschalige aanleg van groene daken en ander groen onder het motto van een gezonde en veilige leefomgeving. De overige ambities en investeringen in het gebeid zijn zo groot dat dit aspect als een welkome ‘toevoeging’ werd verwelkomd. Bovendien wist Delva te achterhalen dat er voorwaarden (certificaten) met betrekking tot de mate van groen in het gebied (door de gemeente) gesteld waren. Het ontwerp van Delva (in samenwerking met een architect) was zodoende ‘nodig’ om te kunnen bouwen. Delva noemt het zelf een voorbeeld van een “park-door-middel-van”. Anders gesteld, wanneer het een ‘traditioneel’ eendimensionaal voorstel voor meer groen was geweest, had het plan het waarschijnlijk niet gehaald.

Eenzelfde tactiek, gebaseerd op kennis van details en samenwerking, is toegepast bij één van de nieuwste gebiedsontwikkelingen waar het bureau van Delva bij betrokken wordt: het VDMA-terrein in Eindhoven. Delva is een van de partijen uit het consortium Being Development die de herontwikkeling van dit gebied van bijna 2 hectare vlak bij het centraal station de komende jaren mag gaan uitvoeren. Door van meet af aan op samenwerken en combineren in te zetten is het bureau erin gelaagd om groen in de vorm van een bos onderdeel te laten zijn van de transformatie. Groen heeft hier een ongewoon krachtige plek als ‘stepping stone’ en oase van rust in de stad verworven. Het is een goed voorbeeld van een vooraf misschien ondenkbare groene component in een binnenstedelijk gebied dat juist door de nieuwe aanpak van Delva en andere partners toch mogelijk is gebleken.

 

Groen en groei

Delva ontwierp ondertussen nog niet veel in Almere, het stationsgebied uitgezonderd. Maar hij ziet wel degelijk kansen om zijn werkwijze en ideeën in te zetten in deze stad. Hier zijn immers groen en groei van het begin van de stadsontwikkeling aan elkaar gekoppeld. Dat wat Delva in Rotterdam, Amsterdam of Eindhoven (naderhand) probeert toe te voegen of te ‘repareren’ zit al verweven in de opzet en het ontwerp van Almere. Ook beschikt de stad al over haar eigen ‘guiding principes (Almere Principles). Delva ziet tegen die achtergrond, juist vanuit de groene basis van de stad, nog veel onderbenutte kansen bij de verdere ontwikkeling. Wat hem betreft moet vooral die verweving van groen en stad nog veel sterker en vaker worden aangezet. Bos en groen moeten bijvoorbeeld in samenhang tot elkaar veel meer onderdeel worden van de marketing van bedrijven die er zitten. Groen hoort nadrukkelijker bij bedrijvigheid en hun profilering. Het zou een veel meer integraal karakter moeten hebben, in plaats van de typering van groen als iets dat naast of om bebouwing heen staat. Daarnaast moet er naar zijn mening veel meer en vaker geëxperimenteerd worden met en in groene gebieden. Groene gebieden in en om de stad zouden het terrein voor testen en combineren van andere functies kunnen zijn. Groen kan in Almere dus veel multifunctioneler zijn dan nu het geval is.

 

Zonder het nadrukkelijk te benoemen grijpt Delva met die omschrijving terug naar het principe van de landschapsontwikkelingszones die door de Rijksdienst in de beginjaren van Almere werden benoemd en ingetekend. Groene gebieden dus die in verloop van de tijd, bij een verdere groei van de stad, geladen of gevuld zouden kunnen worden met functies en programma. Doel daarvan was, net als Delva beoogd, een verdere verweving van stad (stedelijke functies) en groen. Volgens Delva levert een rondgang door de parken en andere gebieden in en rond de stad nog te veel het beeld op van ‘groen-naast-bebouwing’. Delva ziet zo veel kansen voor een verrijking van zowel de kwaliteit en leefbaarheid van groene gebieden als van de bebouwde. Groene gebieden worden zo (be-)leefbaar en gevarieerder, gebouwde gebieden worden aangenamer en duurzamer. Delva ziet in deze aanpak zowel kansen voor de bestaande stad als voor de vormgeving en inrichting van de verdere groei.

 

Proces

De weg naar een nieuwe verwevenheid en interactie tussen stad en groen loopt, volgens Delva, ook bij Almere via het zoeken van verbindingen en koppelen van wensen en partijen. Dat traject kan, zeker als resultaten zichtbaar worden, ook een aantrekkingskracht gaan worden voor partijen die Almere in dat opzicht nog niet in het vizier hebben. Almere staat immers voor velen nog te boek als een, in meerdere opzichten, eendimensionale stad: of het is een groene stad zonder echte stedelijkheid, of het is een stad met voornamelijk een woonfunctie. Zodra die vooroordelen beantwoord kunnen worden met meer gevarieerde en multifunctionele varianten kan de stad dus aan veelzijdigheid winnen.

Deze gedachtegang zou kunnen leiden tot een beeld van een versnipperd groen. Maar Delva bepleit tegelijk ook groene, robuuste gebieden die een intrinsieke betekenis en uitstraling hebben. Landschap dus dat gebruikt en benut wordt: een werklandschap. En dat niet alleen buiten, maar ook in de stad.  Met deze duiding en accentuering grijpt Delva nadrukkelijk terug op zijn eigen afkomst als boerenzoon. Groen en landschap zijn voor hem majeure en functionele, ruimtelijke factoren die niet beklijven, wanneer ze ‘betuttelend’ of onvolwaardig worden ingezet. Om die reden wantrouwt hij ook de vele recente pogingen om met gevelgroen (groene gevels) tot een gezonde en leefbare stad te komen. Delva vindt die pogingen vaak een vorm van ‘excuus-groen’ en is overtuigd dat eigenlijk alleen robuust en stoer (lees omvangrijk) groenareaal als onderdeel van onze leefomgeving (denk aan het voorgestelde VDMA-bos in Eindhoven) zin heeft. Alleen dan kan groen echt een bijdrage reveleren aan een duurzame mengvorm van stad en groen, aan leefbaarheid én aan het welbevinden van de bevolking.

 

Dynamiek en activering

Terugkijkend op de lezing van Steven Delva (en in mindere mate op de voorafgaande drie avonden met andere sprekers) vallen een aantal dingen op. Zo werd volgens het publiek (Jan Frans de Hartog), bijvoorbeeld, de betekenis en waarde van stadslandbouw voor Almere niet of nauwelijks genoemd. Volgens Delva is dat ook niet een factor van belang zolang het niet op een professionele en grootschalige wijze gebeurd. In de meeste varianten van en voorstellen voor stadlandsbouw is, in zijn ogen, de schaal veel te klein. De te verwachten opbrengst en productiviteit van veel plannen is op voorhand ondermaats. Toch wordt door het publiek gewezen op andere dan productieve functies die de integratie van stadslandbouw voor een stad kan hebben.

Ook wordt er vanuit het publiek (Jan de Vletter) gewezen op de verschillen tussen de door Delva aangehaalde voorbeelden en de situatie in Almere. Delva werkt aan plannen om meer groen in steden te krijgen, terwijl er in Almere te veel (en onderbenut) groen is. Een bijkomend nadeel (of zelfs risico) is dat de overvloed aan groen in Almere leidt tot een zekere mate van onzorgvuldigheid en gemakzucht. Omdat er zoveel groen is wordt er mogelijk te vaak groen ‘gemorst’. Dat principe kan bij herhaling zelfs leiden tot een sluipenderwijs vermindering of achteruitgang van de (integrale) kwaliteit van groen en landschap in Almere.

Anderzijds is er zeker ook sprake van een (deels te) grote hechting en vertrouwdheid aan de bestaande omvang en conditie van groen en landschap in Almere. Wat er is wordt soms met (te) veel nadruk verdedigd tegen verandering. Hoewel dat een goed uitgangspunt is, bestaat ook het gevaar dat te veel bescherming de noodzakelijke dynamiek en verdere ontwikkeling van het landschap in en rond Almere tegenhoudt of vertraagt.

Een oplossing zou kunnen zijn om de bevolking te leren om het landschap niet alleen te zien als een feit of achtergrond, maar als een ruimte die gebruikt en ‘vastgepakt’ (Delva) moet en kan worden. De eerder (niet) genoemde stadslandbouw zou hier een belangrijke rol in kunnen spelen. Door het programmeren en gebruiken van landschap verdwijnen ook de, soms letterlijke, scheidingen tussen stad en groen. Door het gebruik van groen door de stad lopen beide meer en vanzelfsprekend in elkaar over. Dit raakt ook aan een observatie van Paul Gerretsen dat de kleine en grote schaal van de problematiek beter met elkaar verbonden moeten worden.

Het activeren van het gebruik van groen raakt ook de vraag van eigenaarschap (Yvonne de Nood). Tot op heden zijn groen en landschap het eigendom van de overheid. Het publiek behandelt en beziet ze dus ook op die wijze. Door het eigenaarschap anders te organiseren en de bevolking dus ook (mede-) eigenaar te laten worden van delen van het groen en het landschap, kan de perceptie en benutting van deze gebieden dus ook transformeren. Een perspectief dat uitdagend klinkt en bovendien aansluit bij eerdere, op het gebied van woningbezit ingezette processen bij particuliere- en collectieve woningbouw (Homeruskwartier, Oosterwold). Die gedachte sluit weer aan bij de bijdrage van Philomene van der Vliet die een grotere publieke betrokkenheid bij het ‘vormgeven’ van groen bepleitte. In die betrokkenheid en nieuwe vormen van partnerschap (Delva) liggen onbetwistbaar kansen voor bewoners, overheid en ‘hun’ landschap.

 

Uit de reeks lezingen zijn veel lessen te leren en richtingen te detecteren. Zeker is dat bij de ontwikkeling van nieuwe perspectieven voor het polderlandschap van Almere het zoeken naar en bieden van alternatieven essentieel en (ook) onvermijdelijk moet zijn. Dat moet deels, omdat sprake is van een bepaalde mate van status quo over betekenis, waarde en eigenaarschap van groen en landschap. De partijen die erbij betrokken zijn, of belang bij hebben zijn zich daar onvoldoende van bewust. Om de noodzakelijke dynamiek van landschapsontwikkeling (wederom) op gang te krijgen zijn dus hefbomen nodig in de vorm van nieuwe partijen, nieuwe vormen van eigenaarschap en gebruik. Een belangrijk middel om de gedachtegang, discussie en dynamiek op gang te krijgen is de keuze voor en het vertrouwen in de bijdrage van het ontwerp. Ontwerp is bij uitstek, zo bleek ook weer uit deze serie lezingen, in staat om te laten zien wat mogelijk is; om te prikkelen. Met die visies en gedachten in de hand kan het Almeerse landschap daadwerkelijk rekenen op een verdere, inspirerende en uitdagende ontwikkeling waar verbindingen van partijen en functies (zoals wonen, werken, recreëren en energieopwekking) plaats kunnen vinden. Een ontwikkeling die kan (of zelfs moet) leiden tot een vorm van groene stedelijkheid of stedelijk landschap waar de scheidingen tussen programma, gebruikers en vorm veel meer dan nu het geval is vanzelfsprekend in elkaar overlopen. Kortom, het is hoogste tijd voor de landschapsontwikkelingszone 2.0…

De lezingenreeks Polderperspectieven is mede mogelijk gemaakt door Cultuurfonds Almere, Rabobank en vele vrijwilligers.

Cultuurfonds Almere

Related Works