Een energiek polderperspectief


Lezing 3
Bijeenkomst 23 oktober 2019
Verslag: JaapJan Berg
Spreker: Gerjan Streng

 

De derde lezing in het kader van Polderperspectieven wordt verzorgd door GerJan Streng. Hij is medeoprichter van het bureau BRIGHT dat, onder andere, grote stedelijke uitdagingen die ons te wachten staan op gebied van klimaat, mobiliteit, economie en energie onderzoekt. BRIGHT is onderdeel van The Cloud Collective, een coöperatie van (drie) ontwerpbureaus die de maatschappelijke impact van architectuur en ontwerp als gezamenlijk focuspunt hebben.

Om meer grip te krijgen op onzekerheden en variabelen in de toekomst ontwikkelt BRIGHT prototypes, ruimtelijke scenario’s en integrale perspectieven. Gerjan Streng is ook betrokken bij de Klimaattafels en het daaropvolgende Klimaatakkoord.

 

Energielandschappen

Energielandschappen worden vaak gezien als relatief nieuw begrip omdat het gebruikt wordt in de context van (discussies over) verduurzaming en energietransitie die leiden tot windmolens en zonneparken in ons landschap. Maar Nederland beschikt al veel langer over energielandschappen. Sterker, veel veranderingen in het landschap, uitgevoerd ten behoeve van energiewinning, hebben inmiddels iconische landschappen tot stand gebracht. Denk daarbij aan de veenwinning waarbij grote delen van het land zijn afgegraven. Een energielandschap dat vervolgens heeft geleid tot een populair recreatief landschap (Vinkeveense Plassen) Of denk aan de iconische molens bij de Zaanse Schans die slechts een fractie zijn van talloze molens die ooit het landschap rond Zaandam domineerden. Minder bekend zijn de sporen van een energielandschap in de Oostelijke Veluwerand bij Eerbeek waar een aantal energielandschappelijke artefacten te vinden zijn. Het gaat om een serie ingrepen en verbeteringen in bestaande waterlopen – zoals sleuven, sprengkoppen, watervallen – die de daar aanwezige mogelijkheden van waterkracht optimaliseren ten behoeve van de papierindustrie.

Het bijzondere aan dit laatste voorbeeld, volgens Streng, is dat het laat zien hoe energiewinning, landschap, bevolking met behulp van slimme combinaties, onderhoud en toezicht/betrokkenheid gezamenlijk kunnen co-existeren. Anders gesteld, energielandschappen zijn niet per definitie een aantasting van een landschap. Ingrepen ten behoeve van energiewinning dienen ook niet altijd zo onzichtbaar mogelijk te worden aangelegd. Het voorbeeld van Eerbeek laat zien dat, gedacht vanuit de elkaar versterkende kansen, landschappelijke kwaliteit, economische ontwikkeling en betrokkenheid van burgers gezamenlijk kunnen floreren. Het is een voorbeeld van zichtbare synergie die in contrast staat tot de veelal onzichtbare of uiteengevallen (niet-coherente) energielandschappen die we tegenwoordig vaker zien. De relaties tussen landschap, energiewinning en mensen zijn onzichtbaar, deels afwezig, maar vooral ‘onbeleefbaar’. De voornaamste oorzaak daarvan is dat veel onderdelen van huidige energielandschappen onzichtbaar onder de grond zitten of met te weinig aandacht voor relaties met bewoners en landschap zijn toegevoegd. Het resulteert in een verborgen systeem waarbij functies uit elkaar zijn getrokken waarbij bovendien veel energie (en potentiele kwaliteit) verspild wordt.

Volgens Streng zijn we nu echter op een bijzonder punt beland waarop, als gevolg van deels afgedwongen, veranderende zienswijzen en urgenties op het gebied van duurzaamheid en gebruik van alternatieve energiebronnen, andere wegen kunnen inslaan. Dat Nederland minder gas gaat gebruiken en overstapt op andere energiebronnen levert op meerdere niveaus kansen en perspectieven. Zo kunnen delen van de bestaande, zichtbare en onzichtbare, energie-infrastructuur (kabels, leidingen) op andere wijze gebruikt gaan worden. Op ruimtelijk gebied vindt echter als gevolg van de transitie een interessantere ontwikkeling plaats. Waar in het bestaande systeem energie vaak in de periferie wordt geproduceerd (denk aan Gaswinning in Groningen, de kerncentrale in Borssele, maar ook de energiecentrale in Lelystad) en vervolgens in een steeds fijnmaziger netwerk naar gebruikers wordt gedistribueerd, zal in de nabije toekomst op steeds meer (lege) plekken door het hele land (op kleine en grotere schaal) energie geproduceerd gaan worden. Dat zal leiden tot hernieuwde ideeën en zienswijzen over de wijze waarop energieopwekking (weer) meer een integraal onderdeel van onze leefomgeving kan worden. De nieuwe, te verwachten, conditie van energielandschappen zal ook leiden tot een noodzakelijke koppeling of stapeling van verschillende functies. Vergelijkbaar met het energielandschap bij Eerbeek kunnen zo synergetische landschappen ontstaan waar landschappelijke, maatschappelijke, economische en energie gerelateerde functies gecombineerd worden.

Om die nieuwe functiestapeling succesvol te laten verlopen zal wel op slimme wijze aan combinaties gewerkt en ontworpen moeten worden. Nederland blijft immers onveranderlijk een relatief klein en dichtbevolkt land waar bepaald geen surplus aan ruimte bestaat waar zomaar nieuwe (energie-)functies aan zijn toe voegen. Er zijn ook veel restricties zoals de onmogelijkheid om bepaalde functies te combineren (denk aan de combinatie hoogspanningsleidingen en wonen). Verder spelen de beperkte aanwezigheid van grote, bruikbare gebieden en het soms wat negatieve sentiment onder bewoners een bepalende rol. Streng ziet echter voldoende mogelijkheden voor nieuwe energielandschappen, mits we voldoende rekening houden met bepalende factoren zoals ondergrond, uitzicht en strategische ligging (langs al bestaande infrastructuur).

 

Beperkingen of kansen

Streng zoomt, tegen deze geschetste achtergronden, in op de situatie in en rond Almere. De stad laat, in relatie tot bijvoorbeeld andere dossiers zoals woningbouw, regelmatig weten nog voldoende ruimte te hebben voor verdere groei. In de context van de Randstad wordt dat algemeen als een sterke troefkaart gezien. Een van de gebieden binnen het grondgebied van de gemeente waar vaak naar gekeken en gewezen wordt in Almere Pampus. In het licht van het zoeken naar nieuwe energielandschappen is het gebied al eerder ontdekt. Er staan immers een aantal grote windmolens direct achter de Oostvaardersdijk. Verder biedt het nog open gebied natuurlijk veel kansen. Een daarvan is ontegenzeggelijk ook die van een nog relatief open landschap. De vraag die Streng opwerpt is of die status als pre-energielandschap en lege plek in de Metropoolregio Amsterdam (MRA) een beperking of kans is. Biedt het gebied kansen om functies te combineren? Is het een strategische reserve of een structurele, open en groene ruimte? Volgens Streng zou de afweging en de discussie specifieker moeten gaan over of het gebied beperkt wordt door (alleen) energieopwekking of dat het groen kan blijven dóór energieopwekking. Daarbij moeten zeker ook combinaties van functies en tijdelijke bestemming als zonnepark (in omvang vergelijkbaar met Zuyderzon in Almere Buiten). Het denken in alternatieven zoals tijdelijke bestemming wordt volgens Streng ingegeven door de relatief grote druk die er op het ‘aanboren’ van nieuwe energiebronnen ligt. Door het kabinetsbesluit inzake het afbouwen van de gaswinning zijn er op korte termijn concrete antwoorden en alternatieven nodig.

De factor tijdelijkheid kan ook in de maatschappelijke discussie belangrijke rol spelen. Mogelijk verzet kan ermee natuurlijk mee gepareerd worden. Maar het is ook een goede manier om op soms snel veranderende maatschappelijke of economische vragen te kunnen reageren. In plaats van ‘in beton gegoten’ bestemmingsplannen kunnen op voorhand als tijdelijk bestempelde veranderingen discussie en te vinden oplossingen meer vloeibaar maken. In relatie tot landschap betekent dit dat een tijdelijke bestemming niet het definitieve einde van het bestaande, groene landschap betekent. Streng haalt in dit verband het voorbeeld uit Nunspeet aan waar een tijdelijk zonnepark op het terrein van een toekomstige begraafplaats is aangelegd. Maar ook combinaties van (tijdelijke) functies als zonnepark en waterberging, recreatiegebied of ecologische ontwikkeling zijn goed denkbaar. Daarbij beperkt zich een dergelijk gestapeld energielandschap zich niet tot gebieden waar veel ruimte ‘beschikbaar’ is, zoals natuur- of landbouwgebieden. Ook gebieden die al meerdere functies hebben, of in dichter bevolkte gebieden liggen, komen in aanmerking als nieuw energielandschap. In die laatste gevallen is, volgens Streng, bovendien de gehoopte koppeling tussen energielandschappen en de bevolking, die de afgelopen decennia grotendeels verloren is gegaan, weer te herstellen. In de context van Almere suggereert Streng dat bijvoorbeeld de voortgaande discussie over het kostbare onderhoud van het vele groen in de stad in een ander daglicht kan komen te staan wanneer er een mix van groen, bebouwing en energieopwekking voor bedacht zou kunnen worden. De opbrengst van energieopwekking zou dan deels de kosten van het groenonderhoud kunnen dekken of in een energiefonds gestopt kunnen worden waarmee de opbrengst ten goede komt aan bewoners. En wanneer het hier om tijdelijke toevoegingen gaat kan deze mix, bij andere ontwikkelingen of gewijzigde visies, ook weer van kleur veranderen.

Maar ook bij andere politiek hete hangijzer kan het denken in de richting van en toepassen van energieopwekking als factor in het landschap oplossingen naderbij brengen. Streng noemt als voorbeeld de recente stikstofcrisis waar het toevoegen van zonenergie als factor kan meehelpen (kostendekking) met de noodzakelijk transitie van de landbouw.

 

Cascade

Voor Streng is het overduidelijk dat energie(opwekking) altijd iets moet bijdragen aan het landschap. Alleen zo kan de afweging tussen behoud en verbetering (of groei) van het landschap en economische en milieu gerelateerde doelstellingen gehaald en ‘verkocht’ worden. Daarbij is het direct aanleggen van nieuwe energiebronnen (zoals windmolens) niet altijd de noodzakelijke eerste stap. Het proces in die richting kan ook beginnen met het zoeken naar en onderzoeken van bestaande en typerende structuren, eigenschappen en bronnen in het landschap. Streng haalt in dit verband het onderzoek dat hij in het kader van de Eo Wijers-prijsvraag met zijn bureau deed in de provincie Overijssel. Het onderzoek ‘Schakelen’ richt zich op het in kaart brengen en koppelen van lokale initiatieven en aanknopingspunten voor een opnieuw geactiveerd landschap. Daarbij werd in de regio gezocht naar bestaande structuren, bronnen en initiatieven die bruikbaar waren in relatie tot duurzame energie. Het ging daarbij deels om al zichtbare, maar ook om nog inzichtbare elementen. Het onderzoek en daaropvolgende project lieten vooral zien dat een vernieuwde relatie tussen landschap en burgers (en noodzakelijke energieopwekking) niet altijd begint met grootschalige ruimtelijke visies of plannen. Het project richtte zich daarentegen vooral op al betrokken burgers en boeren of op het activeren van hun betrokkenheid bij energielandschappen. Bijdragen daartoe kunnen zijn in de praktijk overigens zowel groot- als kleinschalig. Kleine projecten of elementen kunnen namelijk heel goed een onderdeel vormen in een cascade van ontwikkelingen en veranderingen die de uiteindelijke doelstellingen ook bereikt. Volgens Streng is een dergelijk proces van verknopen van nieuwe landschappen, energietransitie en betrokken burgers ook heel goed denkbaar in de wijk Oosterwold. Het verbaast hem zelfs wat dat er vanuit die gedachte nog niet meer op grotere schaal naar de relatie van de wijk, bewoners en energielandschap gekeken is.

 

Klimaatakkoord

Op landelijke schaal heeft Streng zich als deelnemer aan een van de klimaattafels richting het Klimaatakkoord ook actief beziggehouden met de relatie tussen energie transitie en ruimte. Daarbij benadrukt hij dat de inbreng en rol van ontwerp en ontwerpers net vaak genoeg onderstreept kan worden. Veel winst en oplossingen voor de vaak complexe vraagstukken liggen echter vaak tussen de sectoren in. Ook hier zal, vergelijkbaar met de nieuwe energielandschappen, vaker in de richting van koppelingen en verbindingen gedacht moeten worden. De implementatie van een ‘solitaire’, alles omvattende ingreep, oplossing of ontwerp is niet reëel of haalbaar. Dus de wijze waarop Nederland tot voor kort een allesomvattend en integraal plan tot uitvoering bracht om, zoals bij de Deltawerken, de waterveiligheid van het land in één klap te garanderen is niet langer realistisch. Tot diezelfde categorie ‘grootse’ ontwerpen en projecten hoort natuurlijk ook de aanleg van de IJsselmeerpolders.

Dat neemt niet weg dat de opgaven waar we voor staan (vergelijkbaar) enorm zijn en dat er wel degelijk gestructureerde afwegingen en strategieën bedacht moeten worden. De invulling daarvan is echter in veel grotere mate dan voorheen afhankelijk van de betrokkenheid van veel partijen, visies en belangen én de weging van hun belangen. Streng noemt als een voorbeeld hiervan de wenselijkheid van het koppelen van de woningvoorraad en bouwopgave van woningbouwcorporaties aan duurzame energieopwekking. Een dergelijke koppeling zou een grote stap vooruit zijn. Maar vooral bij de aanpassing van de bestaande woningvoorraad spelen allerlei zaken die een snelle, eenduidige ingreep voorkomen of vertragen. Zo zijn niet alle bestaande woningen even eenvoudig te isoleren (ook in Almere), zijn de bestaande leidingen of ondergrondse infrastructuur ongeschikt en (in relatie daarmee) is de productiewijze van duurzame energie ook bepalend voor de toepasbaarheid. Streng noemt hier als voorbeeld de opties windenergie, restwarmte, geothermie, zonne-energie, oppervlaktewater en biomassa. Elk van deze bronnen en toepassing vraagt weer om een andere aanpak. Vervolgens moet er bij een omschakeling naar nieuwe, duurzame energiebronnen en hun locatie ook nagedacht en besloten worden over de verdeling van die energie. Verdeel je die op basis van de eerste gegadigde, de nabijheid tot de bron, het economisch belang of aan de hoogste bieder?

 

Almere

De kwesties, afwegingen en mogelijke oplossingen betreffen het hele land en vele steden. Daaronder valt zeker ook Almere dat een duurzame strategie dient te bedenken voor omgang en relatie met het omliggende landschap. Een landschap dat, naast groen, agrarisch en open ook een belangrijke potentie als energielandschap heeft. De mogelijke opbrengsten daarvan, in energie en financieel opzicht, kunnen de stad ten goede komen. In Almere zelf zijn eveneens kansrijke aanknopingspunten voor een duurzamere toekomst zoals het al bestaande warmtenet en de relatief nieuwe woningen.

Verder zal de gemeente Almere ook haar best moeten doen om de bewoners mee te krijgen met de benodigde energietransitie en ontwikkeling van binnen- en buiten-stedelijke energielandschappen. De komst van en voorbereidingen voor de Floriade in 2020 en vooral de op de bestaande stad georiënteerde ‘randprogrammering’ lijkt overigens langzaamaan zijn vruchten af te gaan werpen. Daartoe behoren zeker ook ideeën en initiatieven die vanuit bevolking en bedrijfsleven ontstaan. Die ontwikkeling raakt dan weer een ander algemeen en belangrijk aspect, dat ook speelt in relatie tot energietransitie. Namelijk de vraag, per project, straat of wijk, waar de grens tussen initiatiefrijke en ondernemende bewoners en initiërende en regisserende overheid ligt.

Zeker is dat bij de geschetste omwenteling naar nieuwe energielandschappen en andere transities een helder en begrijpelijk verhaal over noodzaak en doelstellingen noodzakelijk is, of op zijn minst kan helpen om veel scepsis weg te nemen. Het probleem van de opgaven is echter dat de mogelijke opties, routes en strategieën bijna nog per definitie veelzijdig en meervoudig zijn. Die vorm is deels het gevolg van het punt waarop we ons in deze ontwikkeling bevinden. Maar het is ook (nog) een bijna-structureel en inherent aspect van de complexiteit van zowel de op te lossen problematiek als de context waarin we tot die oplossingen moeten komen. Streng heeft de oplossing helaas ook niet voorhanden. Zijn vragende formulering zijn in dat opzicht illustratief voor de zoekende en nog onduidelijke status van


De lezingenreeks Polderperspectieven is mede mogelijk gemaakt door Cultuurfonds Almere, Rabobank en vele vrijwilligers.

Cultuurfonds Almere

Related Works