Polderperspectieven, Lezing 4: Steven Delva, 20 nov 2019, VIDEO

Video afspelen

Lezing 4, Steven Delva, 20 nov. 2019,

De menging van stad en landschap in het ruimtelijk ontwerp

 

De menging van stad en landschapin het ruimtelijk ontwerp In de lezingen van Polderperspectieven ligt de nadruk steeds op de evenwaardige relatie tussen bebouwing en groen. Vanaf de aanleg van de eerste stadskernen Haven en Stad proberen landschapsarchitecten betekenis te geven aan het stadslandschap binnen de meerkernige structuur van Almere. Met de opgave om in de nabije toekomst 60.000 woningen te realiseren, is de vraag hoe je vormgeeft aan die relatie tussen stad en landschap in Almere weer zeer actueel.

Steven Delva (DELVA Landscape, Architecture, Urbanism ) zet in deze lezing zijn principes uiteen waarmee hij op verschillende schaalniveaus de wisselwerking tussen rood en groen vormgeeft. Eén van die principes is een strategie ontwikkelen om vanuit het kleinste kavel binnen een gebied de vergroening van de stad op gang te brengen. Voorbeelden hiervan zijn het Ringersplein (Alkmaar) en Buiksloterham in Amsterdam. Een ander principe is de organisatie van een businesscase rond groenprojecten waar binnen elke gemeentelijke sector en de verschillende stakeholders ieder hun eigen belang hebben. Opgaven als versterking biodiversiteit en waterkwaliteit, economische draagvlak en betrokkenheid van de stakeholders krijgen daarbij gelijke aandacht. Een ‘triple-win situatie’, noemt hij dat, met als middel het organiseren van collectieven rond een opgave. Groen en landschap zijn in elk project een onlosmakelijk onderdeel van het economisch model van de plannen. Aan de hand van projecten in bijvoorbeeld Gent (Groene klimaatassen), Rotterdam (Rotte, Merwe Vierhaven) en Eindhoven laat Steven Delva zien hoe deze principes ook in Almere waar hij onder meer werkt aan het Stationsgebied, toepasbaar zijn.

Over Steven Delva:

Steven Delva (1978 ) studeerde Landschapsarchitectuur in Gent en Amsterdam en richtte in 2008 Studio DELVA Landscape,  Architecture, Urbanism op. Hij bouwde een expertise op in opdrachten die draaien om de grote actuele opgaven zoals: duurzaamheid, infrastructuur, ecologie en de veranderende betekenis van het publieke domein. Zijn werk werd internationaal
gepubliceerd en presenteerde hij in lezingen onder andere in Amsterdam, Antwerpen, Leuven, Brussel, NY, Venetië, Glasgow en Toronto.
Steven is regelmatig gastjury aan verschillende internationale universiteiten en doceerde aan de European Master of Urbanism te Leuven en aan de Academie van Bouwkunst te Amsterdam. DELVA Landscape, Architecture, Urbanism bestaat uit een team van 22 enthousiaste landschapsarchitecten, stedenbouwkundigen, ecologen en  cultuurtechnici.

moderator: Paul Gerretsen,
agent Deltametropool
verslaglegging: JaapJan Berg,
Bergplaats, publicist, onderzoeker INTI

video verslag: Sietse van der Wal

Cultuurfonds Almere

De lezingenreeks Polderperspectieven is mede mogelijk gemaakt door Cultuurfonds Almere, Rabobank en vele vrijwilligers.

 

Cultuurfonds Almere

GERELATEERDE PROJECTEN

Polderperspectieven: lezing 4, Steven Delva, 20 nov. ’19, ‘Menging van stad en landschap in het ruimtelijk ontwerp’, VERSLAG

De menging van stad en landschap in het ruimtelijke ontwerp


Lezing 4
Bijeenkomst 20 november 2019
Verslag: JaapJan Berg
Spreker: Steven Delva


Aan de hand van zijn eigen werk geeft Steven Delva deze avond meer inzicht over de vaak vernieuwende mogelijkheden om door ruimtelijk ontwerp stad en landschap beter met elkaar te mengen. Een propositie die in het licht van de Almeerse conditie vooral zou kunnen betekenen dat er zowel meer stad in het landschap zou moeten ontstaan alsook een voortdurende verbinding tussen stad en landschap moet worden bewaakt. Het bureau Delva Landscape Architecture & Urbanism probeert in de eigen praktijk voortdurend de veranderende condities op het niveau van stedenbouw, economie, waterbeheer en landschap steeds te bevragen en op innovatieve wijze tot soms onverwachte voorstellen of oplossingen te komen. Daarbij wordt door Delva steeds geprobeerd de gedachten en motivaties achter een opgave of ontwerpvraag te doorgronden en te ontrafelen. Niet zelden slaagt het bureau er vervolgens daardoor in om alternatieve en (vaak) effectieve oplossingen te bieden en uit te werken.

 

Makers District

Een goed voorbeeld van die analytische denk- en handelswijze is de transformatie van het M4H-gebied in Rotterdam waar het bureau van Delva bij betrokken is. De opdracht was hier om een masterplan voor een gebied te maken dat in omvang vergelijkbaar is met het bestaande centrum van de stad. Het betreft een oud havengebied waar de oorspronkelijke functie vervangen gaat worden door een mix van wonen, werken en recreëren. Delva maakte als antwoord op de vraag geen ouderwets blauwdrukplan maar koos voor een framewerk. Een serie richtlijnen waarmee het gebied stapsgewijs en in fases kan veranderen van haven tot stad. Daarbij zijn zowel het Havenbedrijf als de gemeente als opdrachtgever betrokken. De transformatie is een proces naar een Makers District toe. Een gebied waar nieuwe en oude elementen van maken, werken, district en stad samenkomen. Delva werkt hier met een duidelijke visie en nadrukkelijk samen met opdrachtgevers en andere betrokkenen (co-design) aan een nieuw stuk stad. De omvang en complexiteit van zowel de ruimtelijke- als functieverandering, de vergroening, de betrokkenheid van oude en nieuwe gebruikers is dermate groot dat het onmogelijk met één plan of actie bereikt kan worden. Dat zou ook ten koste gaan van de rijkdom en veelzijdigheid die uit een geleidelijk proces voortkomen. Door stapsgewijs te denken over, werken en ontwerpen aan verschillende milieus met groen, verbindingen en multimodaal gebruik groeit het beoogde resultaat aan de hand van een aantal leidende principes voor het hele gebied. Door het invoegen van meerdere belangen en wensen (collectiviteit en circulariteit) ontstaan veelzijdige doelstellingen waar wonen, werken, maar ook recreatie inpassen. Op deze manier is het ‘nieuwe’ gebied direct en harmonieus verbonden met de stad. Bovendien voedt het de stad ook op zowel economische wijze als door een kwalitatief stedelijk gebied met toegevoegde waarde.

 

Meervoudig groen

Het Rotterdamse voorbeeld dat Delva aanhaalt laat ook zien dat groen in deze context een meervoudige rol speelt. Groen in het M4H-gebied is een niet weg te denken onderdeel van de economische betekenis van het gebied. Groene (park)zones hebben hier een economische ‘lading’ omdat ze bijvoorbeeld kunnen dienen voor presentaties door bedrijven uit het ‘makers district’. Daarnaast worden de groene delen ook nadrukkelijk dubbel gebruikt voor bijvoorbeeld waterretentie en -buffering.

De wijze waarop het gebied zich ‘ontwikkeld’, en dus niet ontwikkeld wordt in de oude betekenis, trekt veel belangstelling van bedrijven, (culturele) instellingen en kunstenaars. Daarmee wordt de keuze voor `een framewerk dus herkend en gewaardeerd door meer en andere partijen (dan gebruikelijk bij gebiedsontwikkeling). Dit brede enthousiasme is cruciaal om ook de verdere ontwikkeling collectief verder te brengen. Vanaf het gegeven framewerk en met de leidende principes gaan zo vervolgstappen getest en eventueel bijgesteld worden. De partijen, waaronder ondernemers, havenbedrijf en anderen, worden deelgenoot van de plannen en produceren ook ideeën die aan de gemeente gericht zijn.

 

Buiksloterham

Ook in een ander oud havengebied, in Amsterdam Noord, werkt Delva aan een transformatie die leidt tot een mix van wonen en werken. Hier wordt door het denken in lange (ruimtelijke) lijnen weer een verbinding met stad en omgeving gezocht. Die schaal is in de huidige situatie niet meer voorhanden. Ook het groen is in de bestaande situatie erg minimaal van omvang. Daarnaast is er in het gebied veel vervuilde grond aanwezig. Een ander bijkomende uitdaging is dat de gemeente voor de nieuwe plannen hoge eisen stelt aan dichtheid en het aantal te realiseren woningen (8000). Het was derhalve de vraag of die eisen wel verenigd kon worden met de ruimtelijke ambities van de ontwerpers.

Delva vond een oplossing in het toevoegen van nieuw groen langs het water én het laten liggen en isoleren van de vervuilde grond. Zo kunnen nieuwe delen ‘toegevoegd’ worden en vooral weer lange lijnen en verbindingen in het gebied gerealiseerd worden. Tegelijkertijd is voorgesteld het aantal wegen (t.b.v. autoverkeer) relatief laag te houden. Dat creëert extra ruimte voor andere functies, zoals nieuwe visies op mobiliteit. In plaats van wegen met veel geparkeerde auto’s erlangs wordt nu gewerkt in de richting van ‘hubs’ waar (deel-)auto’s en fietsen geconcentreerd worden geparkeerd. Het tekent de werkwijze van Delva. Ook hier wordt slim doorgedacht hoe de gemeente haar financiële verdienmodel kan optimaliseren. In plaats van het uitgeven (lees verkopen) van plots aan projectontwikkelaars wordt voorgesteld om te snijden in de kosten. Zo wordt ruimtelijke kwaliteit (en regie) gekoppeld aan financiële opbrengst. Evenals in het Rotterdamse M4H-gebied zijn daarom ook in Buiklsloterham weer ‘guiding principles’ opgesteld die als framewerk voor de ontwikkeling ingezet worden. Het credo is ook hier: door slim koppelen en programmeren van combinaties kan geld verdiend en bespaard worden én kan de ruimtelijke kwaliteit beter bewaakt worden.

Volgens Delva zijn de aangehaalde voorbeelden overigens niet uitsluitend voorbehouden aan grotere steden. Ook Almere zou bijvoorbeeld kunnen streven naar een betere en rijkere mix van wonen en werken waarbij het inbreien van functies en slim koppelen tot nieuw elan kan leiden. Het vraagt wel afstand nemen van sectorale denken en werken en open staan (lef hebben) voor het combineren van financieel, ruimtelijk en ander programma.

 

Geleidelijk

De praktijkvoorbeelden uit Gent en het gebied langs de Rotte die Steven Delva aanhaalt bevestigen het beeld van zorgvuldige, inventieve en geduldige werk- en denkwijze. Nadat een doel of ambitie is geformuleerd gaat veel aandacht uit naar het verbinden van programma en spelers/betrokkenen. Niet zelden wordt daarbij een relatief open en nog niet te gedetailleerd plan gebruikt. Partijen worden ‘verleid’ om mee te denken en zodoende van hun vaste posities en ideeën af te stappen. Er ontstaat zo een nieuwe interpretatie van ‘projectontwikkeling’. Eén waarbij partijen elkaar versterken, mee gaan denken en samenwerken. Daarbij zijn tijd en geleidelijkheid belangrijke factoren. De procesmatige en relatief open trajecten die Delva laat zien vragen om geduld en vertrouwen.

Delva is de eerste om toe te geven dat die factoren niet altijd aanwezig zijn door bijvoorbeeld druk vanuit woningmarkt of vanwege andere (economische) redenen. Dan wordt als vanouds snel en op basis van een blauwdruk ontwikkeld en gebouwd. Maar zelfs in die gevallen slaagt Delva er soms in om de gewenste druk en snelle ontwikkeling in te zetten. Zijn bijdrage aan de groenvisie voor de Zuidas is daar een goed voorbeeld van. Bij de ontwikkeling van dit gebied is de druk om snel en concreet te bouwen bijzonder groot. Delva heeft die pressie gebruikt om een plan voor de verbetering en vergroening voor elkaar te krijgen. Het voorziet in een grootschalige aanleg van groene daken en ander groen onder het motto van een gezonde en veilige leefomgeving. De overige ambities en investeringen in het gebeid zijn zo groot dat dit aspect als een welkome ‘toevoeging’ werd verwelkomd. Bovendien wist Delva te achterhalen dat er voorwaarden (certificaten) met betrekking tot de mate van groen in het gebied (door de gemeente) gesteld waren. Het ontwerp van Delva (in samenwerking met een architect) was zodoende ‘nodig’ om te kunnen bouwen. Delva noemt het zelf een voorbeeld van een “park-door-middel-van”. Anders gesteld, wanneer het een ‘traditioneel’ eendimensionaal voorstel voor meer groen was geweest, had het plan het waarschijnlijk niet gehaald.

Eenzelfde tactiek, gebaseerd op kennis van details en samenwerking, is toegepast bij één van de nieuwste gebiedsontwikkelingen waar het bureau van Delva bij betrokken wordt: het VDMA-terrein in Eindhoven. Delva is een van de partijen uit het consortium Being Development die de herontwikkeling van dit gebied van bijna 2 hectare vlak bij het centraal station de komende jaren mag gaan uitvoeren. Door van meet af aan op samenwerken en combineren in te zetten is het bureau erin gelaagd om groen in de vorm van een bos onderdeel te laten zijn van de transformatie. Groen heeft hier een ongewoon krachtige plek als ‘stepping stone’ en oase van rust in de stad verworven. Het is een goed voorbeeld van een vooraf misschien ondenkbare groene component in een binnenstedelijk gebied dat juist door de nieuwe aanpak van Delva en andere partners toch mogelijk is gebleken.

 

Groen en groei

Delva ontwierp ondertussen nog niet veel in Almere, het stationsgebied uitgezonderd. Maar hij ziet wel degelijk kansen om zijn werkwijze en ideeën in te zetten in deze stad. Hier zijn immers groen en groei van het begin van de stadsontwikkeling aan elkaar gekoppeld. Dat wat Delva in Rotterdam, Amsterdam of Eindhoven (naderhand) probeert toe te voegen of te ‘repareren’ zit al verweven in de opzet en het ontwerp van Almere. Ook beschikt de stad al over haar eigen ‘guiding principes (Almere Principles). Delva ziet tegen die achtergrond, juist vanuit de groene basis van de stad, nog veel onderbenutte kansen bij de verdere ontwikkeling. Wat hem betreft moet vooral die verweving van groen en stad nog veel sterker en vaker worden aangezet. Bos en groen moeten bijvoorbeeld in samenhang tot elkaar veel meer onderdeel worden van de marketing van bedrijven die er zitten. Groen hoort nadrukkelijker bij bedrijvigheid en hun profilering. Het zou een veel meer integraal karakter moeten hebben, in plaats van de typering van groen als iets dat naast of om bebouwing heen staat. Daarnaast moet er naar zijn mening veel meer en vaker geëxperimenteerd worden met en in groene gebieden. Groene gebieden in en om de stad zouden het terrein voor testen en combineren van andere functies kunnen zijn. Groen kan in Almere dus veel multifunctioneler zijn dan nu het geval is.

 

Zonder het nadrukkelijk te benoemen grijpt Delva met die omschrijving terug naar het principe van de landschapsontwikkelingszones die door de Rijksdienst in de beginjaren van Almere werden benoemd en ingetekend. Groene gebieden dus die in verloop van de tijd, bij een verdere groei van de stad, geladen of gevuld zouden kunnen worden met functies en programma. Doel daarvan was, net als Delva beoogd, een verdere verweving van stad (stedelijke functies) en groen. Volgens Delva levert een rondgang door de parken en andere gebieden in en rond de stad nog te veel het beeld op van ‘groen-naast-bebouwing’. Delva ziet zo veel kansen voor een verrijking van zowel de kwaliteit en leefbaarheid van groene gebieden als van de bebouwde. Groene gebieden worden zo (be-)leefbaar en gevarieerder, gebouwde gebieden worden aangenamer en duurzamer. Delva ziet in deze aanpak zowel kansen voor de bestaande stad als voor de vormgeving en inrichting van de verdere groei.

 

Proces

De weg naar een nieuwe verwevenheid en interactie tussen stad en groen loopt, volgens Delva, ook bij Almere via het zoeken van verbindingen en koppelen van wensen en partijen. Dat traject kan, zeker als resultaten zichtbaar worden, ook een aantrekkingskracht gaan worden voor partijen die Almere in dat opzicht nog niet in het vizier hebben. Almere staat immers voor velen nog te boek als een, in meerdere opzichten, eendimensionale stad: of het is een groene stad zonder echte stedelijkheid, of het is een stad met voornamelijk een woonfunctie. Zodra die vooroordelen beantwoord kunnen worden met meer gevarieerde en multifunctionele varianten kan de stad dus aan veelzijdigheid winnen.

Deze gedachtegang zou kunnen leiden tot een beeld van een versnipperd groen. Maar Delva bepleit tegelijk ook groene, robuuste gebieden die een intrinsieke betekenis en uitstraling hebben. Landschap dus dat gebruikt en benut wordt: een werklandschap. En dat niet alleen buiten, maar ook in de stad.  Met deze duiding en accentuering grijpt Delva nadrukkelijk terug op zijn eigen afkomst als boerenzoon. Groen en landschap zijn voor hem majeure en functionele, ruimtelijke factoren die niet beklijven, wanneer ze ‘betuttelend’ of onvolwaardig worden ingezet. Om die reden wantrouwt hij ook de vele recente pogingen om met gevelgroen (groene gevels) tot een gezonde en leefbare stad te komen. Delva vindt die pogingen vaak een vorm van ‘excuus-groen’ en is overtuigd dat eigenlijk alleen robuust en stoer (lees omvangrijk) groenareaal als onderdeel van onze leefomgeving (denk aan het voorgestelde VDMA-bos in Eindhoven) zin heeft. Alleen dan kan groen echt een bijdrage reveleren aan een duurzame mengvorm van stad en groen, aan leefbaarheid én aan het welbevinden van de bevolking.

 

Dynamiek en activering

Terugkijkend op de lezing van Steven Delva (en in mindere mate op de voorafgaande drie avonden met andere sprekers) vallen een aantal dingen op. Zo werd volgens het publiek (Jan Frans de Hartog), bijvoorbeeld, de betekenis en waarde van stadslandbouw voor Almere niet of nauwelijks genoemd. Volgens Delva is dat ook niet een factor van belang zolang het niet op een professionele en grootschalige wijze gebeurd. In de meeste varianten van en voorstellen voor stadlandsbouw is, in zijn ogen, de schaal veel te klein. De te verwachten opbrengst en productiviteit van veel plannen is op voorhand ondermaats. Toch wordt door het publiek gewezen op andere dan productieve functies die de integratie van stadslandbouw voor een stad kan hebben.

Ook wordt er vanuit het publiek (Jan de Vletter) gewezen op de verschillen tussen de door Delva aangehaalde voorbeelden en de situatie in Almere. Delva werkt aan plannen om meer groen in steden te krijgen, terwijl er in Almere te veel (en onderbenut) groen is. Een bijkomend nadeel (of zelfs risico) is dat de overvloed aan groen in Almere leidt tot een zekere mate van onzorgvuldigheid en gemakzucht. Omdat er zoveel groen is wordt er mogelijk te vaak groen ‘gemorst’. Dat principe kan bij herhaling zelfs leiden tot een sluipenderwijs vermindering of achteruitgang van de (integrale) kwaliteit van groen en landschap in Almere.

Anderzijds is er zeker ook sprake van een (deels te) grote hechting en vertrouwdheid aan de bestaande omvang en conditie van groen en landschap in Almere. Wat er is wordt soms met (te) veel nadruk verdedigd tegen verandering. Hoewel dat een goed uitgangspunt is, bestaat ook het gevaar dat te veel bescherming de noodzakelijke dynamiek en verdere ontwikkeling van het landschap in en rond Almere tegenhoudt of vertraagt.

Een oplossing zou kunnen zijn om de bevolking te leren om het landschap niet alleen te zien als een feit of achtergrond, maar als een ruimte die gebruikt en ‘vastgepakt’ (Delva) moet en kan worden. De eerder (niet) genoemde stadslandbouw zou hier een belangrijke rol in kunnen spelen. Door het programmeren en gebruiken van landschap verdwijnen ook de, soms letterlijke, scheidingen tussen stad en groen. Door het gebruik van groen door de stad lopen beide meer en vanzelfsprekend in elkaar over. Dit raakt ook aan een observatie van Paul Gerretsen dat de kleine en grote schaal van de problematiek beter met elkaar verbonden moeten worden.

Het activeren van het gebruik van groen raakt ook de vraag van eigenaarschap (Yvonne de Nood). Tot op heden zijn groen en landschap het eigendom van de overheid. Het publiek behandelt en beziet ze dus ook op die wijze. Door het eigenaarschap anders te organiseren en de bevolking dus ook (mede-) eigenaar te laten worden van delen van het groen en het landschap, kan de perceptie en benutting van deze gebieden dus ook transformeren. Een perspectief dat uitdagend klinkt en bovendien aansluit bij eerdere, op het gebied van woningbezit ingezette processen bij particuliere- en collectieve woningbouw (Homeruskwartier, Oosterwold). Die gedachte sluit weer aan bij de bijdrage van Philomene van der Vliet die een grotere publieke betrokkenheid bij het ‘vormgeven’ van groen bepleitte. In die betrokkenheid en nieuwe vormen van partnerschap (Delva) liggen onbetwistbaar kansen voor bewoners, overheid en ‘hun’ landschap.

 

Uit de reeks lezingen zijn veel lessen te leren en richtingen te detecteren. Zeker is dat bij de ontwikkeling van nieuwe perspectieven voor het polderlandschap van Almere het zoeken naar en bieden van alternatieven essentieel en (ook) onvermijdelijk moet zijn. Dat moet deels, omdat sprake is van een bepaalde mate van status quo over betekenis, waarde en eigenaarschap van groen en landschap. De partijen die erbij betrokken zijn, of belang bij hebben zijn zich daar onvoldoende van bewust. Om de noodzakelijke dynamiek van landschapsontwikkeling (wederom) op gang te krijgen zijn dus hefbomen nodig in de vorm van nieuwe partijen, nieuwe vormen van eigenaarschap en gebruik. Een belangrijk middel om de gedachtegang, discussie en dynamiek op gang te krijgen is de keuze voor en het vertrouwen in de bijdrage van het ontwerp. Ontwerp is bij uitstek, zo bleek ook weer uit deze serie lezingen, in staat om te laten zien wat mogelijk is; om te prikkelen. Met die visies en gedachten in de hand kan het Almeerse landschap daadwerkelijk rekenen op een verdere, inspirerende en uitdagende ontwikkeling waar verbindingen van partijen en functies (zoals wonen, werken, recreëren en energieopwekking) plaats kunnen vinden. Een ontwikkeling die kan (of zelfs moet) leiden tot een vorm van groene stedelijkheid of stedelijk landschap waar de scheidingen tussen programma, gebruikers en vorm veel meer dan nu het geval is vanzelfsprekend in elkaar overlopen. Kortom, het is hoogste tijd voor de landschapsontwikkelingszone 2.0…

De lezingenreeks Polderperspectieven is mede mogelijk gemaakt door Cultuurfonds Almere, Rabobank en vele vrijwilligers.

Cultuurfonds Almere

Polderperspectieven, Lezing 3: Gerjan Streng, 23 okt 2019, VIDEO

gerjan streng, bright, polderblik, almere

lezing 3, Gerjan Streng, 23 oktober 2019

Vormgeven aan de energietransitie in het Almeerse stadslandschap

De overgang van energie uit fossiele brandstoffen naar energie uit wind, zon en andere duurzame bronnen heeft vergaande gevolgen voor het aanzien van het landschap. Dus ook voor het Almeers stadslandschap. Burgers kunnen zich over wat zij beschouwen als horizonvervuiling grote zorgen maken. Op welke manier vind je voor energievoorzieningen plekken die zich voegen in het stadslandschap? En op welke manier zou je burgers bij het vormgeven aan de energietransitie kunnen betrekken?

Gerjan Streng
(Bright – The Cloud Collective) pleit voor het ontwerpen van nieuwe landschappen. Hij laat methoden zien waarop, geheel naar Almeers gebruik, in de vormgeving van energievoorzieningen, ook andere opgaven worden getackeld. Hij spiegelt de Almeerse situatie aan ruimtelijke scenario’s die het bureau Bright op eigen initiatief overal in Nederland samen met uiteenlopende partijen heeft ontwikkelt.

META

Lezing, videoregistratie, Gerjan Streng, Bright

GERELATEERDE PROJECTEN

Polderperspectieven: lezing 2, Philomene van der Vliet, 25 sept. 2019, VIDEO

Video afspelen

omschrijving

Lezing 2: 23 mei 2019, Philome van der Vliet, Boom! Landscape

Bij het ontwerp van het Almeerse stadslandschap realiseerden de ontwerpers zich dat de verscheidenheid van het Nederlandse landschap is ontstaan door de vele manieren waarop wij het landschap gebruiken. In een stad die in de jaren zeventig wordt uitgelegd, kan het niet anders dan dat recreatie daarin een belangrijke plaats heeft. Neem het water bijvoorbeeld in en rond de stad.
Het is niet alleen een belangrijke drager van de infrastructuur. Ze houdt ook het landschap open en zet aan tot vele vormen van recreatie. Grote opgaven als klimaatverandering, afname in biodiversiteit en voedselvoorzieningen vormen nu nieuwe uitdagingen voor Almere.
De vraag is hoe oplossingen hiervoor in, dit voor Nederland unieke stadslandschap, gecombineerd kunnen worden met verschillende vormen van recreatie. De gemeente Almere, Staatsbosbeheer en Het Flevo-Landschap betrekken actief burgers bij het vinden van een antwoord op die vraag. Landschapsarchitect Philomene van der Vliet houdt met haar ruime ervaring in het ontwerp van recreatielandschappen het Almeerse stadslandschap tegen het licht van actuele trends en ontwikkelingen elders in Nederland en Europa.

META

Lezing, videoregistratie, Philomene van der Vliet

GERELATEERDE PROJECTEN

Polderperspectieven, lezing 3, Gerjan Streng, 23 oktober ’19, ‘een energiek polderperspectief’, VERSLAG

Een energiek polderperspectief


Lezing 3
Bijeenkomst 23 oktober 2019
Verslag: JaapJan Berg
Spreker: Gerjan Streng

 

De derde lezing in het kader van Polderperspectieven wordt verzorgd door GerJan Streng. Hij is medeoprichter van het bureau BRIGHT dat, onder andere, grote stedelijke uitdagingen die ons te wachten staan op gebied van klimaat, mobiliteit, economie en energie onderzoekt. BRIGHT is onderdeel van The Cloud Collective, een coöperatie van (drie) ontwerpbureaus die de maatschappelijke impact van architectuur en ontwerp als gezamenlijk focuspunt hebben.

Om meer grip te krijgen op onzekerheden en variabelen in de toekomst ontwikkelt BRIGHT prototypes, ruimtelijke scenario’s en integrale perspectieven. Gerjan Streng is ook betrokken bij de Klimaattafels en het daaropvolgende Klimaatakkoord.

 

Energielandschappen

Energielandschappen worden vaak gezien als relatief nieuw begrip omdat het gebruikt wordt in de context van (discussies over) verduurzaming en energietransitie die leiden tot windmolens en zonneparken in ons landschap. Maar Nederland beschikt al veel langer over energielandschappen. Sterker, veel veranderingen in het landschap, uitgevoerd ten behoeve van energiewinning, hebben inmiddels iconische landschappen tot stand gebracht. Denk daarbij aan de veenwinning waarbij grote delen van het land zijn afgegraven. Een energielandschap dat vervolgens heeft geleid tot een populair recreatief landschap (Vinkeveense Plassen) Of denk aan de iconische molens bij de Zaanse Schans die slechts een fractie zijn van talloze molens die ooit het landschap rond Zaandam domineerden. Minder bekend zijn de sporen van een energielandschap in de Oostelijke Veluwerand bij Eerbeek waar een aantal energielandschappelijke artefacten te vinden zijn. Het gaat om een serie ingrepen en verbeteringen in bestaande waterlopen – zoals sleuven, sprengkoppen, watervallen – die de daar aanwezige mogelijkheden van waterkracht optimaliseren ten behoeve van de papierindustrie.

Het bijzondere aan dit laatste voorbeeld, volgens Streng, is dat het laat zien hoe energiewinning, landschap, bevolking met behulp van slimme combinaties, onderhoud en toezicht/betrokkenheid gezamenlijk kunnen co-existeren. Anders gesteld, energielandschappen zijn niet per definitie een aantasting van een landschap. Ingrepen ten behoeve van energiewinning dienen ook niet altijd zo onzichtbaar mogelijk te worden aangelegd. Het voorbeeld van Eerbeek laat zien dat, gedacht vanuit de elkaar versterkende kansen, landschappelijke kwaliteit, economische ontwikkeling en betrokkenheid van burgers gezamenlijk kunnen floreren. Het is een voorbeeld van zichtbare synergie die in contrast staat tot de veelal onzichtbare of uiteengevallen (niet-coherente) energielandschappen die we tegenwoordig vaker zien. De relaties tussen landschap, energiewinning en mensen zijn onzichtbaar, deels afwezig, maar vooral ‘onbeleefbaar’. De voornaamste oorzaak daarvan is dat veel onderdelen van huidige energielandschappen onzichtbaar onder de grond zitten of met te weinig aandacht voor relaties met bewoners en landschap zijn toegevoegd. Het resulteert in een verborgen systeem waarbij functies uit elkaar zijn getrokken waarbij bovendien veel energie (en potentiele kwaliteit) verspild wordt.

Volgens Streng zijn we nu echter op een bijzonder punt beland waarop, als gevolg van deels afgedwongen, veranderende zienswijzen en urgenties op het gebied van duurzaamheid en gebruik van alternatieve energiebronnen, andere wegen kunnen inslaan. Dat Nederland minder gas gaat gebruiken en overstapt op andere energiebronnen levert op meerdere niveaus kansen en perspectieven. Zo kunnen delen van de bestaande, zichtbare en onzichtbare, energie-infrastructuur (kabels, leidingen) op andere wijze gebruikt gaan worden. Op ruimtelijk gebied vindt echter als gevolg van de transitie een interessantere ontwikkeling plaats. Waar in het bestaande systeem energie vaak in de periferie wordt geproduceerd (denk aan Gaswinning in Groningen, de kerncentrale in Borssele, maar ook de energiecentrale in Lelystad) en vervolgens in een steeds fijnmaziger netwerk naar gebruikers wordt gedistribueerd, zal in de nabije toekomst op steeds meer (lege) plekken door het hele land (op kleine en grotere schaal) energie geproduceerd gaan worden. Dat zal leiden tot hernieuwde ideeën en zienswijzen over de wijze waarop energieopwekking (weer) meer een integraal onderdeel van onze leefomgeving kan worden. De nieuwe, te verwachten, conditie van energielandschappen zal ook leiden tot een noodzakelijke koppeling of stapeling van verschillende functies. Vergelijkbaar met het energielandschap bij Eerbeek kunnen zo synergetische landschappen ontstaan waar landschappelijke, maatschappelijke, economische en energie gerelateerde functies gecombineerd worden.

Om die nieuwe functiestapeling succesvol te laten verlopen zal wel op slimme wijze aan combinaties gewerkt en ontworpen moeten worden. Nederland blijft immers onveranderlijk een relatief klein en dichtbevolkt land waar bepaald geen surplus aan ruimte bestaat waar zomaar nieuwe (energie-)functies aan zijn toe voegen. Er zijn ook veel restricties zoals de onmogelijkheid om bepaalde functies te combineren (denk aan de combinatie hoogspanningsleidingen en wonen). Verder spelen de beperkte aanwezigheid van grote, bruikbare gebieden en het soms wat negatieve sentiment onder bewoners een bepalende rol. Streng ziet echter voldoende mogelijkheden voor nieuwe energielandschappen, mits we voldoende rekening houden met bepalende factoren zoals ondergrond, uitzicht en strategische ligging (langs al bestaande infrastructuur).

 

Beperkingen of kansen

Streng zoomt, tegen deze geschetste achtergronden, in op de situatie in en rond Almere. De stad laat, in relatie tot bijvoorbeeld andere dossiers zoals woningbouw, regelmatig weten nog voldoende ruimte te hebben voor verdere groei. In de context van de Randstad wordt dat algemeen als een sterke troefkaart gezien. Een van de gebieden binnen het grondgebied van de gemeente waar vaak naar gekeken en gewezen wordt in Almere Pampus. In het licht van het zoeken naar nieuwe energielandschappen is het gebied al eerder ontdekt. Er staan immers een aantal grote windmolens direct achter de Oostvaardersdijk. Verder biedt het nog open gebied natuurlijk veel kansen. Een daarvan is ontegenzeggelijk ook die van een nog relatief open landschap. De vraag die Streng opwerpt is of die status als pre-energielandschap en lege plek in de Metropoolregio Amsterdam (MRA) een beperking of kans is. Biedt het gebied kansen om functies te combineren? Is het een strategische reserve of een structurele, open en groene ruimte? Volgens Streng zou de afweging en de discussie specifieker moeten gaan over of het gebied beperkt wordt door (alleen) energieopwekking of dat het groen kan blijven dóór energieopwekking. Daarbij moeten zeker ook combinaties van functies en tijdelijke bestemming als zonnepark (in omvang vergelijkbaar met Zuyderzon in Almere Buiten). Het denken in alternatieven zoals tijdelijke bestemming wordt volgens Streng ingegeven door de relatief grote druk die er op het ‘aanboren’ van nieuwe energiebronnen ligt. Door het kabinetsbesluit inzake het afbouwen van de gaswinning zijn er op korte termijn concrete antwoorden en alternatieven nodig.

De factor tijdelijkheid kan ook in de maatschappelijke discussie belangrijke rol spelen. Mogelijk verzet kan ermee natuurlijk mee gepareerd worden. Maar het is ook een goede manier om op soms snel veranderende maatschappelijke of economische vragen te kunnen reageren. In plaats van ‘in beton gegoten’ bestemmingsplannen kunnen op voorhand als tijdelijk bestempelde veranderingen discussie en te vinden oplossingen meer vloeibaar maken. In relatie tot landschap betekent dit dat een tijdelijke bestemming niet het definitieve einde van het bestaande, groene landschap betekent. Streng haalt in dit verband het voorbeeld uit Nunspeet aan waar een tijdelijk zonnepark op het terrein van een toekomstige begraafplaats is aangelegd. Maar ook combinaties van (tijdelijke) functies als zonnepark en waterberging, recreatiegebied of ecologische ontwikkeling zijn goed denkbaar. Daarbij beperkt zich een dergelijk gestapeld energielandschap zich niet tot gebieden waar veel ruimte ‘beschikbaar’ is, zoals natuur- of landbouwgebieden. Ook gebieden die al meerdere functies hebben, of in dichter bevolkte gebieden liggen, komen in aanmerking als nieuw energielandschap. In die laatste gevallen is, volgens Streng, bovendien de gehoopte koppeling tussen energielandschappen en de bevolking, die de afgelopen decennia grotendeels verloren is gegaan, weer te herstellen. In de context van Almere suggereert Streng dat bijvoorbeeld de voortgaande discussie over het kostbare onderhoud van het vele groen in de stad in een ander daglicht kan komen te staan wanneer er een mix van groen, bebouwing en energieopwekking voor bedacht zou kunnen worden. De opbrengst van energieopwekking zou dan deels de kosten van het groenonderhoud kunnen dekken of in een energiefonds gestopt kunnen worden waarmee de opbrengst ten goede komt aan bewoners. En wanneer het hier om tijdelijke toevoegingen gaat kan deze mix, bij andere ontwikkelingen of gewijzigde visies, ook weer van kleur veranderen.

Maar ook bij andere politiek hete hangijzer kan het denken in de richting van en toepassen van energieopwekking als factor in het landschap oplossingen naderbij brengen. Streng noemt als voorbeeld de recente stikstofcrisis waar het toevoegen van zonenergie als factor kan meehelpen (kostendekking) met de noodzakelijk transitie van de landbouw.

 

Cascade

Voor Streng is het overduidelijk dat energie(opwekking) altijd iets moet bijdragen aan het landschap. Alleen zo kan de afweging tussen behoud en verbetering (of groei) van het landschap en economische en milieu gerelateerde doelstellingen gehaald en ‘verkocht’ worden. Daarbij is het direct aanleggen van nieuwe energiebronnen (zoals windmolens) niet altijd de noodzakelijke eerste stap. Het proces in die richting kan ook beginnen met het zoeken naar en onderzoeken van bestaande en typerende structuren, eigenschappen en bronnen in het landschap. Streng haalt in dit verband het onderzoek dat hij in het kader van de Eo Wijers-prijsvraag met zijn bureau deed in de provincie Overijssel. Het onderzoek ‘Schakelen’ richt zich op het in kaart brengen en koppelen van lokale initiatieven en aanknopingspunten voor een opnieuw geactiveerd landschap. Daarbij werd in de regio gezocht naar bestaande structuren, bronnen en initiatieven die bruikbaar waren in relatie tot duurzame energie. Het ging daarbij deels om al zichtbare, maar ook om nog inzichtbare elementen. Het onderzoek en daaropvolgende project lieten vooral zien dat een vernieuwde relatie tussen landschap en burgers (en noodzakelijke energieopwekking) niet altijd begint met grootschalige ruimtelijke visies of plannen. Het project richtte zich daarentegen vooral op al betrokken burgers en boeren of op het activeren van hun betrokkenheid bij energielandschappen. Bijdragen daartoe kunnen zijn in de praktijk overigens zowel groot- als kleinschalig. Kleine projecten of elementen kunnen namelijk heel goed een onderdeel vormen in een cascade van ontwikkelingen en veranderingen die de uiteindelijke doelstellingen ook bereikt. Volgens Streng is een dergelijk proces van verknopen van nieuwe landschappen, energietransitie en betrokken burgers ook heel goed denkbaar in de wijk Oosterwold. Het verbaast hem zelfs wat dat er vanuit die gedachte nog niet meer op grotere schaal naar de relatie van de wijk, bewoners en energielandschap gekeken is.

 

Klimaatakkoord

Op landelijke schaal heeft Streng zich als deelnemer aan een van de klimaattafels richting het Klimaatakkoord ook actief beziggehouden met de relatie tussen energie transitie en ruimte. Daarbij benadrukt hij dat de inbreng en rol van ontwerp en ontwerpers net vaak genoeg onderstreept kan worden. Veel winst en oplossingen voor de vaak complexe vraagstukken liggen echter vaak tussen de sectoren in. Ook hier zal, vergelijkbaar met de nieuwe energielandschappen, vaker in de richting van koppelingen en verbindingen gedacht moeten worden. De implementatie van een ‘solitaire’, alles omvattende ingreep, oplossing of ontwerp is niet reëel of haalbaar. Dus de wijze waarop Nederland tot voor kort een allesomvattend en integraal plan tot uitvoering bracht om, zoals bij de Deltawerken, de waterveiligheid van het land in één klap te garanderen is niet langer realistisch. Tot diezelfde categorie ‘grootse’ ontwerpen en projecten hoort natuurlijk ook de aanleg van de IJsselmeerpolders.

Dat neemt niet weg dat de opgaven waar we voor staan (vergelijkbaar) enorm zijn en dat er wel degelijk gestructureerde afwegingen en strategieën bedacht moeten worden. De invulling daarvan is echter in veel grotere mate dan voorheen afhankelijk van de betrokkenheid van veel partijen, visies en belangen én de weging van hun belangen. Streng noemt als een voorbeeld hiervan de wenselijkheid van het koppelen van de woningvoorraad en bouwopgave van woningbouwcorporaties aan duurzame energieopwekking. Een dergelijke koppeling zou een grote stap vooruit zijn. Maar vooral bij de aanpassing van de bestaande woningvoorraad spelen allerlei zaken die een snelle, eenduidige ingreep voorkomen of vertragen. Zo zijn niet alle bestaande woningen even eenvoudig te isoleren (ook in Almere), zijn de bestaande leidingen of ondergrondse infrastructuur ongeschikt en (in relatie daarmee) is de productiewijze van duurzame energie ook bepalend voor de toepasbaarheid. Streng noemt hier als voorbeeld de opties windenergie, restwarmte, geothermie, zonne-energie, oppervlaktewater en biomassa. Elk van deze bronnen en toepassing vraagt weer om een andere aanpak. Vervolgens moet er bij een omschakeling naar nieuwe, duurzame energiebronnen en hun locatie ook nagedacht en besloten worden over de verdeling van die energie. Verdeel je die op basis van de eerste gegadigde, de nabijheid tot de bron, het economisch belang of aan de hoogste bieder?

 

Almere

De kwesties, afwegingen en mogelijke oplossingen betreffen het hele land en vele steden. Daaronder valt zeker ook Almere dat een duurzame strategie dient te bedenken voor omgang en relatie met het omliggende landschap. Een landschap dat, naast groen, agrarisch en open ook een belangrijke potentie als energielandschap heeft. De mogelijke opbrengsten daarvan, in energie en financieel opzicht, kunnen de stad ten goede komen. In Almere zelf zijn eveneens kansrijke aanknopingspunten voor een duurzamere toekomst zoals het al bestaande warmtenet en de relatief nieuwe woningen.

Verder zal de gemeente Almere ook haar best moeten doen om de bewoners mee te krijgen met de benodigde energietransitie en ontwikkeling van binnen- en buiten-stedelijke energielandschappen. De komst van en voorbereidingen voor de Floriade in 2020 en vooral de op de bestaande stad georiënteerde ‘randprogrammering’ lijkt overigens langzaamaan zijn vruchten af te gaan werpen. Daartoe behoren zeker ook ideeën en initiatieven die vanuit bevolking en bedrijfsleven ontstaan. Die ontwikkeling raakt dan weer een ander algemeen en belangrijk aspect, dat ook speelt in relatie tot energietransitie. Namelijk de vraag, per project, straat of wijk, waar de grens tussen initiatiefrijke en ondernemende bewoners en initiërende en regisserende overheid ligt.

Zeker is dat bij de geschetste omwenteling naar nieuwe energielandschappen en andere transities een helder en begrijpelijk verhaal over noodzaak en doelstellingen noodzakelijk is, of op zijn minst kan helpen om veel scepsis weg te nemen. Het probleem van de opgaven is echter dat de mogelijke opties, routes en strategieën bijna nog per definitie veelzijdig en meervoudig zijn. Die vorm is deels het gevolg van het punt waarop we ons in deze ontwikkeling bevinden. Maar het is ook (nog) een bijna-structureel en inherent aspect van de complexiteit van zowel de op te lossen problematiek als de context waarin we tot die oplossingen moeten komen. Streng heeft de oplossing helaas ook niet voorhanden. Zijn vragende formulering zijn in dat opzicht illustratief voor de zoekende en nog onduidelijke status van


De lezingenreeks Polderperspectieven is mede mogelijk gemaakt door Cultuurfonds Almere, Rabobank en vele vrijwilligers.

Cultuurfonds Almere

Polderperspectieven: lezing 2, Philomene van der Vliet, 25 sept. ’19, ‘Into the (not yet so) wild’, VERSLAG

Into the (not yet so) wild.
Activering van landschap & wensen van burgers

 

 

Bijeenkomst 25 september 2019

Verslag: JaapJan Berg

Spreker: Philomene van der Vliet

 

Vergelijken en ontdekken

De tweede lezing in het kader van Polderperspectieven staat in het teken van vergelijken en ontdekken. Philomene van der Vliet bouwt haar verhaal op rond een aantal steden die op verschillende wijze nieuwe opgaven hebben opgepakt en vormgegeven. Daarbij vormt het landschappelijke element steeds een uitgangspunt, doel én middel. Het gaat daarbij om steden die met succes problemen of patstellingen hebben weten op te lossen. Volgens Van Vliet kunnen de voorbeelden en daaruit te leren lessen Almere helpen en inspireren bij het vinden van mogelijke scenario’s voor de activering van het landschap.

De diverse voorbeelden die Van der Vliet met de aanwezigen deelt komen voort uit internationaal onderzoek dat haar bureau Boom Landscape de afgelopen jaren heeft verricht. Bij veel van de aangehaalde projecten was het bureau overigens ook zelf betrokken.

Aan Almere zelf hebben van der Vliet en haar bureau nog weinig gewerkt. Maar dat staat een visie op en mening over het landschap en de kansen die er liggen niet in de weg.

 

Inspiratiebronnen

Om te beginnen ontleent Almere, volgens Van der Vliet, haar populariteit in belangrijke mate aan het vele groen en landschap waar het door omgeven wordt. Het is daarmee een element dat heeft bijgedragen aan de populariteit van de stad, maar ook de potentie heeft nog veel sterker uitgewerkt, verdiept, verfijnd én ontworpen te worden. Daarbij kunnen generieke opgaven, die ook voor Almere hoog op de agenda staan, meegenomen worden of als prikkel voor verdere ontwikkeling gebruikt worden. Denk aan de toenemende verstedelijkingsdruk, (de gevolgen van) klimaatverandering, energietransitie, biologische diversiteit (of afname daarvan) en bodemdaling. Maar er kan voor inspiratie ook naar andere onderzoeks- en vakgebieden gekeken worden. Zoals bijvoorbeeld de omgevingspsychologie waarbij de uitwisselingen tussen mensen en de fysieke omgeving onderzocht wordt. Van der Vliet citeert Sarah Williams Goldhagen met haar omschrijving: ‘Urban spaces, landscapes, and buildings (…) shape our cognitions, emotions, and actions, and even powerfully influence our well-being. They actually help constitute our very sense of ourselves, our sense of identity’. Ervan uitgaande dat de omgeving, dus ook het landschap, van invloed op mensen, hun leven en welbevinden is roept dat immers de vraag op hoe die omgeving, dus ook het landschap, dan vormgegeven moet worden.

De voorbeelden en suggesties die Van der Vliet vervolgens presenteert zijn onderverdeeld in vier categorieën: Steden en hun groene strategieën; Almere: wat gaat goed/wat kan beter?;

Trends/ ontwikkelingen en Into the wild – op zoek naar betekenis.

 

Europese vergelijkingen

Boom Landscape onderzocht eerder Europese steden en analyseerde hun groene transformatie strategieën. Daaruit ontstond een overzicht aan een bepaald aantal stadsvormen (in relatie tot groen en landschap). De scheggen-structuur van Amsterdam is daar een bekender voorbeeld van, maar ring van bossen rond Parijs of de groene vingerstructuur van Kopenhagen zijn bekend. Almere past dat rijtje met haar beeldbepalende tuinstadmodel, de meerkernige structuur waarbij de kernen verbonden/gescheiden worden door landschapszones. Op een groter schaalniveau zouden het Almeerse tuinstadmodel en de Amsterdamse Scheggen zelfs als één, in elkaar overlopend landschapssysteem gezien kunnen worden. Het zijn dit soort uitvergrotingen en combinaties die, volgens Van der Vliet, die tot nieuwe visies kunnen leiden.

Uit elk van de aangehaalde voorbeeldsteden valt volgens Van der Vliet wel wat te leren voor Almere. Kopenhagen heeft bijvoorbeeld plannen om de stad op alle schaalniveaus gereed te maken voor waterretentie en klimaatadaptatie. Voor die transformatie en maatregelen is ruimte in het stedelijk gebied nodig. In plaats van die ruimteclaim als een probleem te zien heeft de stad de situatie juist als een kans aangegrepen en het ingezet als strategie. De benodigde ingrepen en maatregelen die nodig zijn voor de gevolgen van klimaatverandering krijgen in een holistische aanpak ook een functie om de leefkwaliteit van de stad in het algemeen te verhogen. Zo krijgen maatregelen die voortkomen uit een ‘crisis’ ook een ander, meer positief, zelfs aantrekkelijk gezicht. Het is tevens een voorbeeld van groene verandering die door burgers op deze wijze makkelijker te accepteren en begrijpen is.

 

Casus Londen

De casus Londen leert Almere weer een andere les. Deze metropool is niet alleen groot, maar bezit ook veel groen. Door de huidige groei en verdichting staan echter veel van die groene gebieden in toenemende mate onder druk. Om hier weerstand aan te kunnen bieden en groen in stand te houden of zelfs uit te breiden is gekeken naar oude valleien en waterlopen (riviertjes) die nog steeds traceerbaar zijn. Deze ‘restanten’ hebben als leidraad gefungeerd om groene gebieden met een verschillende signatuur (park, historische sites, waterlopen, sport- en recreatie, volkstuinen) aan elkaar te verbinden door wandel- en fietsroutes. Het verbinden en aan elkaar verknopen van deze groene gebieden met een verschillende signatuur schept ook (hernieuwde) verbanden tussen de eigenaar en gebruikers van die gebieden. Zo wordt ook de gemene deler voor, deels nieuwe, opgaven als waterberging en recreatie door een grotere en gevarieerde groep belanghebbenden (bewoners, tuinders, ondernemers, gemeente) gezamenlijk gedragen en erkent. Alle partijen voelen zich betrokken en hebben (letterlijk) toegang tot de opnieuw geprogrammeerde groene ruimte. Deze transitie werd overigens mede gestimuleerd door het organiseren van de Olympische Spelen in Londen. Op een vergelijkbare wijze zou, volgens Van der Vliet, ook de komst van de Floriade als een ‘motor’ kunnen gaan fungeren voor een herprogrammering van het Almeerse landschap. Opvallend aan de ingrepen en toevoegingen in de casus Londen is verder dat het veelal relatief bescheiden en kleine (verbindende) ingrepen in de bestaande groene ruimte betreft, zoals wandelpaden, kleine bruggen en andere accenten.

 

Madrid en Antwerpen

In Madrid en Antwerpen bieden vergelijkbare voorbeelden zicht op hoe het denken en ontwerpen vanuit de verbindende waarde van groene functies (parken, natuurwaarde, recreatie, sport) de leefbaarheid van de (bestaande) binnenstedelijke ruimte kan verbeteren. In beide steden zijn bestaande (veelal) infrastructurele ruimtes of restgebieden verbonden door of gecombineerd met een nieuw en groen netwerk. In Madrid zijn verschillende parken en groene zones met elkaar verbonden waardoor de relatie van het stedelijk groen en landschap buiten de stad (oude, koninklijke jachtvelden) fysiek met elkaar verbonden zijn. Het landschap loopt daarmee tot diep in de stad door en andersom kunnen bewoners het landschap op eenvoudige en directe wijze betreden en benutten.

In Antwerpen is op vergelijkbare wijze een groen lint over bestaande snelwegen en op oude spoortracés aangelegd. Zo is een nieuw, aantrekkelijk netwerk van groene ‘voegen ontstaan waar de stad vroeger vooral veel kleinere en versnipperde groengebieden had. In de keuze voor groene assen of voegen schuilt bovendien ook nog een financieel voordeel omdat die typologie veelal goedkoper en eenvoudiger in aanleg is dan gebieden van grotere omvang. Het effect op de verbeterde (ervaring van de) leefomgeving is echter vergelijkbaar.

 

Typische aanknopingspunten

Een ander leerzaam voorbeeld voor een mogelijke strategie voor de activering van het landschap van Almere waar Boom Landscape zelf aan werkte ligt in Durres (Albanië). Daar werd het landschap nadrukkelijk ingezet bij het ontwerpen van een te voltooien, nieuwe boulevard aan de kust. Het bureau kreeg de opdracht een plein te maken en daarbij werd het gebruik van beton (als bouwmateriaal) en palmbomen (als voorkeursflora) als vooraarde gesteld. Boom ging vervolgens op zoek naar typische aanknopingspunten in de omgeving van de boulevard. Die werden gevonden in het gebruik van bepaalde materialen (kleur) die werden herkend door de bevolking. De voorgeschreven palmbomen werden, na goede argumentatie door Boom, ingeruild voor fraaie parasoldennen die een typische en specifieke vegetatie in dit deel van de kust van de Adriatische Zee zijn. Gecombineerd met een ontwerp dat mensen uitnodigt en aanzet tot actief (o.a. uitzichtpunt, hangplek en barbecue-hot-spot) gebruik van boulevard en de specifieke onderdelen ervan vormden deze keuzes een eindresultaat dat door de lokale bevolking herkent en omarmd werd. Het is voor Van der Vliet het bewijs dat landschapspontwerp een verbindende factor kan spelen met een programma en uitstraling die veel verder gaat dan ruimtelijke inrichting alleen. De winstpunten liggen, naast ‘oude’ credo’s als betere functionaliteit en esthetiek, dus nadrukkelijk ook op sociale, culturele en maatschappelijke niveaus. Crux lijkt daarbij steeds weer om, vanuit oprechte interesse en nieuwsgierigheid naar de plek, een goede analyse van probleemstelling, onderzoek naar contextuele componenten, wensen van gebruikers en verkenning van niet benoemde mogelijkheden te combineren met een dienstbaar, maar ook verrassend ontwerp. Ontwerp waarvan het totaalbeeld of onderdelen door de gebruikers en/of opdrachtgevers herkenbaar zijn als een afgeleide van de bestaande of historische ruimtelijke context. Ontwerp dat dus herleidbaar en traceerbaar is in vormgeving, materiaalgebruik en geboden oplossingen.

 

Activering landschap

Die combinatie en intentie zou, volgens Van der Vliet, ook aan de basis moeten staan van het ontwerpen aan de activering van het landschap van Almere. Daartoe zou allereerst onderzocht moeten worden of het huidige landschap inderdaad nog in het teken staat van gezondheid, frisse lucht, binding met de natuur, lichaamsbeweging en collectiviteit zoals aanvankelijk beoogd en in de decennia na 1976 verder uitgewerkt. Of anders gesteld door Van der Vliet: ‘Zijn de Almeerse (recreatie-) landschappen en structuren nog steeds het kind van de jaren ’70, of is het kind volwassen?’. Is de stad letterlijk en figuurlijk wellicht verhard?

Om die vraag te kunnen beantwoorden kijkt Van der Vliet graag eerst naar wat er goed gaat op het gebied van groen en landschap in en rond Almere. Om te beginnen signaleert zij de grootsheid van het Nationaal Landschap Nieuw Land (in wording). Het zou een buitenkans zijn om de kwaliteiten van dat gebied te kunnen verbinden met Almere. Daarmee zouden stad en landschap met elkaar verknoopt kunnen worden wat ongetwijfeld tot een allure en uitstraling van internationale schaal zou kunnen uitgroeien.

Een waarschijnlijk reëlere kans ligt binnen Almere bij het verbinden en beter koppelen van de verschillende delen van de bestaande groenstructuur. Zoals de casussen in Madrid en Antwerpen lieten zien, zouden zo meerdere sferen en kwaliteiten nog beter op elkaar kunnen worden aangesloten tot een geheel dat aantrekkelijk is en aansluit bij wensen van bewoners. Als concreet voorbeeld noemt Van der Vliet de plannen voor het Rondje Weerwater. Daar worden verschillende delen van de stad met een ruimtelijke ingreep en toe te voegen details met elkaar verbonden. Door de gebieden de verzamelen onder een nieuwe noemer is sprake van een verhaal met opeenvolgende en gevarieerde groene hoofdstukken.

Volgens Van der Vliet zou Almere er verstandig aan doen deze wijze van grotere, verknoopte groene verhaalstructuren ook in andere delen van de stad te introduceren. Het bestaande groen, dat er wel degelijk al is, krijgt op deze manier een nieuwe inhoud en betekenis. Het groen wordt ook weer (opnieuw) zichtbaar en door bevolking en andere gebruikers herkent als waardevolle ruimte die bij de stad hoort. En wordt dus niet langer gezien als een ‘restruimte’ om en tussen de kernen. Als potentiele gebieden om deze verhaalstructuren te realiseren noemt Van der Vliet bijvoorbeeld het tracé van de Hoogspanningsleiding dat veel delen van Almere met elkaar verbindt (Spanningsveld). Maar ook Almere Duin, het kasteel en Oosterwold bieden kansen en aanknopingspunten om de landschappelijke betekenis te versterken en te verbinden.

 

Verbeterpunten

Verbeterpunten ziet Van der Vliet zeker ook. De stad ligt bijvoorbeeld veel te veel met de achterkant naar het groen toe. Ook heeft zij zo haar twijfels over de mate waarin de stad ‘gezond’ is. Almere is immers over een groot gebied uitgespreid en is daarmee ook het domein van veel automobiliteit geworden. Verder stelt Van der Vliet vast dat de oorspronkelijke groenstructuren weliswaar volwassen zijn geworden, maar niet zijn doorontwikkeld. Het groen in de stad heeft daardoor deels het karakter van een overblijfsel uit eerdere tijden en van een te beschermen verworvenheid gekregen. Het groen is dus niet doorontwikkeld. Gecombineerd met de hoge onderhoudskosten is zo op veel plaatsen een situatie ontstaan die eigenlijk niet langer houdbaar is.

Het belangrijkste verbeterpunt ziet Van der Vliet echter in het opnieuw vorm geven aan betekenis van het landschap. Dat kan alleen als er zowel nauwkeurig naar mogelijkheden, kansen en wensen wordt gekeken (variërend van stadsgroen tot echte wildernis) als ook door zonder schroom (weer) groot en grootschalig te denken en te ontwerpen. Belangrijke zaken, visies en ingrepen moeten weer op hoofdlijnen worden vastgelegd. Het grote beeld en gebaar moeten de overhand krijgen over het denken in en werken aan ‘speldenprikken’.

Daarbij is het wel verstandig om goed inzicht te hebben en houden op de wijze waarop het landschap benut en gewaardeerd wordt. Vooral waar het de voortdurende veranderende recreatiebehoefte betreft volgen de voorkeuren en trends elkaar in snel tempo op. Van der Vliet noemt als voorbeeld de wens naar ruige, verwilderde en als ‘echt’ ervaren natuur. Maar ook de (algemene) hang naar beleving en unieke ervaringen beïnvloed de wijze waarop het landschap ervaren én vormgegeven zal moeten worden. Gecombineerd met het stijgende besef dat het landschap een belangrijke rol moet vervullen in de klimaatopgaven zorgen deze inzichten voor een noodzaak om landschap en natuur voortdurend door te blijven ontwerpen. Dit kan door zowel aanpassen, diversifiëren of verhevigen van bepaalde condities. Dynamiek, en niet consolidatie, is daarbij dus een sleutelbegrip.

Adaptief en dynamisch

Die adaptieve en dynamische houding en benadering van het landschap biedt bovendien goede kansen om, vanuit de historische resultaten en condities van het bestaande landschap en groen, draagvalk voor vernieuwd landschap en veranderingen bij het algemene publiek en (dus ook) Almeerders te vergroten. Door maatschappelijke en andere urgente opgaves te koppelen aan een door te ontwikkelen landschap kan een conditie ontstaan waar functies niet gescheiden, maar juist gestapeld en gecombineerd kunnen worden. Volgens Van der Vliet ontstaan in die stapeling en vervlechting bij uitstek de leukste en meest uitnodigende en intrigerende landschappen en ontwerpen daarvoor. Gezien de omvang van het Almeerse landschap, de voortdurende veranderende voorkeuren voor gebruik en beleving, de druk van urgente klimaat gerelateerde opgaven en de noodzaak om bewoners te betrekken en hen enthousiast te maken voor het landschap is er dus veel visie en (ontwerp-)werk aan de winkel voor zowel ontwerper als bestuurders.


De lezingenreeks Polderperspectieven is mede mogelijk gemaakt door Cultuurfonds Almere, Rabobank en vele vrijwilligers.

Cultuurfonds Almere

 

Polderperspectieven: lezing 1, 23 mei ’19, Hester Kersten, Christian Zalm, ‘Verkleurt de groene stad Almere?’ VERSLAG

Verkleurt de groene stad Almere?

Over erkennen, behouden en laden van programma


Bijeenkomst 23 mei 2019

Auteur: JaapJan Berg

Sprekers: Christian Zalm en Hester Kersten

 

De eerste twee presentaties van de lezingenreeks ‘Polderperspectieven’ zijn een feit. Met lezingen van respectievelijk Christian Zalm, één van de Peetvaders van Almere, en Hester Kersten, landschapsarchitect bij de gemeente Almere, start de verkenning van het huidige en toekomstig landschap op 23 mei 2019. Vragen over de bestaande kwaliteiten, bedreigingen, aanpassingen kansen worden vanuit verschillende perspectieven aan de orde gesteld. De doelstelling van deze serie is om, naast het delen van kennis en begrip, een geactualiseerd beeld en inzicht te krijgen in zowel de huidige conditie als de urgente aandachtspunten van het landschap in en om Almere.

Zalm begint zijn bijdrage met het statement dat de bedachte stad Almere eigenlijk opnieuw zou moeten worden uitgevonden. De huidige grote en complexe opgaven, waaronder de bouw van 60.000 woningen, energietransitie en stadsvernieuwing zijn immers zeer ingrijpend en omvangrijk. Veel delen van de huidige stad voldoen niet of minder aan de nieuwe criteria en dienen dus te transformeren of in het nieuwe licht gewijzigd te worden.

In relatie tot de staande bouwopgave en de verdere volwassenwording van de stad rijst de meer specifieke vraag hoe dat traject en die opgaven zich verhouden tot het bestaande groen-blauwe raamwerk dat de stad in zekere zin structureert. Is dit onderdeel uit de eerste fase van de bedachte stad eveneens rijp voor transformatie en herijking? Of voldoet het onverminderd als kwalitatief podium voor de suburbane stad, inclusief de nieuwe opgaven?

Zalm beantwoordt de vraag met een verwijzing naar een aantal aanvankelijke gedachten uit de tijd dat hij nog actief ontwierp aan de stad. Gedachten en opvattingen die, opvallend genoeg, tevens een parallel vormen met de huidige situatie. Het landschappelijk element, de groene ruimte van Almere, was en is namelijk nog steeds allesbehalve veiliggesteld. Ten tijde van het bedenken en uitwerken van het Almeerse Stadsconcept in de jaren 70, waarbij stad en landschap zich zouden verenigen in een geheel eigen en Almeers woon- en leefmilieu, was de status van de groene mal allesbehalve geconsolideerd. Dit onderdeel bleef, ondanks de overduidelijk onderscheidende aspecten in relatie tot bestaande steden en stedelijkheid én in de context van de Randstad, onvoldoende duidelijk gedefinieerd. Dat was geen faux pas, maar grotendeels het gevolg van een bewuste over- en afweging. De onvoltooide en ‘open’ status werd moedwillig opgezocht en gecreëerd door de ontwerpers van het eerste uur. Zo hield men nadrukkelijk rekening met de factor tijd en incorporeerde daarmee flexibiliteit en uitwisselbaarheid in het bedenken, aanleggen en ‘vullen’ (programmeren) van het groen in Almere. Anders gesteld, men kon en wilde de groene delen van de stad niet volledig en ‘vol’ programmeren. Daartoe moesten deze gebieden, alsmede de stad zelf, verder tot ontwikkeling komen. In beide gevallen hield men dus de opties open. De kennis van dat moment gaf onvoldoende garanties voor een trefzekere en eenduidige invulling voor de toekomst. Men creëerde zo eigenlijk ruimte in de groene ruimte.

Dat ging niet altijd zonder slag of stoot en in sommige gevallen ‘won’ stedelijk programma, het van het groen. Dit door druk die ontstond in de stad zelf (groei) of komend uit de omliggende metropool. Maar grosso modo slaagden Zalm en zijn collega’s erin om de aanplant van veel groen vooral als een voorinvestering in het te ontwikkelen woon- en leefmilieu van de (toekomstige) Almeerder veilig te stellen. Het accent lag daarbij, opvallend genoeg, minder op het direct te gebruiken groen zoals een buurtpark, speeltuin of begraafplaats. Het overgrote deel van het groen in het Almeerse Stadsconcept werd betekenisvol ‘De Buitenruimte van Almere’ genoemd. Die ruimte werd gedefinieerd op de schaal van Almere als geheel én in aansluiting op de omgeving, het ommeland. Daarbij was de bereikbaarheid vanuit de woonbieden overigens essentieel. De buitenruimte vormde zo een spinnenweb van groene ruimten en verbindingen. Een ruimte die aansloot op en zich hechtte aan de dijken en kusten, en aan de ruimte van de resterende polder.

Daar waar men meer intensieve ontwikkeling van het groen verwachtte, of op anticipeerde, werden zogenaamde landschapsontwikkelingszones voorzien. Doorgaans waren dat delen van de Buitenruimte die minder in de luwte lagen of zouden liggen. Ruimte tussen de zich ontwikkelende woonkernen die eerder een andere functie of invulling konden verwachten dan de grotere ruimten daarbuiten of die verder van de woongebieden verwijderd lagen. Het was een strategie van open laten die kansen creëerde voor spontane ontwikkelingen, maar ook bedoeld was om gericht te programmeren. Volgens Zalm was het credo daarbij steeds om groen te maken dat bedoeld was voor bewoners; een mensenlandschap.

Zalm haalt gedurende zijn bijdrage het voorbeeld aan van Almeerderhout dat zowel Buitenruimte als landschapsontwikkelingszone was. Delen van het gebied werden aangemerkt als Buitenruimte vanwege hun ligging grenzend aan het polderlandschap. In andere delen van Almeerderhout werd het groen juist ontwikkeld door middel van toegevoegde functies zoals een infocentrum voor biologisch tuinieren (later uitgegroeid tot Stadslandgoed De Kemphaan) en het Cirkelbos dat geleidelijk werd getransformeerd tot een museumbos.

Inmiddels is de oorspronkelijke groene ruimte verder gegroeid en in zekere zin bestendigd. Maar nog steeds kleeft het groen in Almere (nabij de kernen, perifeer gelegen of niet) een bepaalde factor van gecreëerde en geconditioneerde vrijblijvendheid aan. Dat is een evidente kracht die zowel verrassend, alsook zorgwekkend is. Almere ontleent namelijk in belangrijke mate haar identiteit, aantrekkelijkheid en ruimtelijke flexibiliteit aan de groene, ruime ruimtelijkheid die de stad heeft. Groen is zo gezien niet minder dan de bruidsschat van de stad.

Dat die factor een bepaalde mate van bedoelde flexibiliteit en willekeurigheid (nog niet-bestemdheid) bezit, maakt haar ook kwetsbaar. Zonder die waarde en betekenis echt en volmondig te erkennen en zonder een nieuwe en dwingende betekenis van het groene deel, valt Almere namelijk terug tot een gewone stad. Het groen verleent deze stad dus bij uitstek haar identiteit, aldus Zalm. Dat moet met hoofdletters geschreven worden en zou vervolgens ingelijst in elke wethouders kamer opgehangen moeten worden. Maar ongeacht de effectiviteit van zo’n actie schuilt er onverminderd een paradox in het groene gegeven van de stad. Als het groen van Almere, de buitenruimte, essentieel en waardevol als onderscheidende factor voor de stad is dan moet die ondubbelzinnig zijn. Maar het wat verwarrende feit is dat het die essentiële kwaliteit en waarde juist heeft het kunnen verkrijgen door het bewust niet te programmeren en het enigszins indifferent laten van bepaalde delen. Niet programmeren leek een tegenstrijdig, maar effectief middel. Maar met de verder groeiende stad, stedelijkheid en toename van programma is de conditie van groene ruimte nu in toenemende mate kwetsbaar te noemen. Een cruciaal onderdeel van de kracht van Almere in dus eigenlijk bovenmatig zwak. Wat het landschap van Almere nodig heeft is (nieuwe) betekenis. Bij het uitblijven daarvan dreigt het mogelijk vanzelf te verdwijnen.

Tegen de achtergrond van die waarneming, in het licht van de verder groeiende stad én met de nieuwe opgaven die zich aandienen op het gebied van duurzaamheid en verdichting, verdient die paradoxale kracht- en zwakte van het groene Almere zorgvuldige en vooral voldoende aandacht. Die krijgt het gelukkig ook, bijvoorbeeld in de persoon van Hester Kersten, landschapsarchitect bij de gemeente Almere. In die rol houdt zij zich bezig met het verder laden van programma in de groene ruimte. Naar gelang het type programma, betreft het daarbij enerzijds om gebieden die door Zalm zijn aangeduid als Buitenruimte, anderzijds om (voormalige) landschapsontwikkelingszones. De vraag die nu opspeelt is of de stad nu inmiddels wèl voldoende gegroeid is of de relatieve terughoudendheid, die in het begin van Almere ten aanzien van het groen gold, nu ‘losgelaten’ kan worden. Is Almere nu zo groot en heeft het dermate veel programma nodig dat de groene ruimte daar nu daadwerkelijk voor ingezet kan worden, zoals dat deels altijd de bedoeling was?

Kersten en haar collega’s zijn in de eerste instantie bezig met het gebruiken van de ‘geplante’ stad van Zalm en zijn collega’s. Daarbij werkt zij dus met groen erfgoed in combinatie met vragen uit de huidige stad. Vooral dat laatste zorgt voor een soms onvoorspelbare dynamiek. Veel wensen en verwachtingen – van zowel bewoners, gebruikers als politici – met betrekking tot het gebruik en programmeren zijn voortdurend in beweging. De factor dat ontwerpers meer rekening moeten houden met bewoners, gemeenteraad en bestaande stad vormt een onderscheidend verschil met de tijd dat Zalm actief was. Waren er toen geen of minder inwoners, nu vragen de vele meningen ook om een bepaalde en vooral andere wendbaarheid in handelen en ontwerpen. Om de relatieve hectiek met steeds wisselende verwachtingen het hoofd te kunnen bieden is het vooral noodzakelijk om steeds voldoende draagvlak te zoeken en geduld te hebben. Belangrijk in de optiek van Kersten is om het landschap steeds actief te blijven benaderen. Dus niet op voorhand te gaan voor behoud en het koesteren van wat er is. Die actieve houding en aanpak zorgt soms voor spanning en vragen. Maar die scherpte is nodig om de juiste route in de omgang met groen en landschap te vinden, aldus Kersten.

De basis voor deze aanpak en visie is in 2009 gelegd met het gemeentelijk werkdocument ‘De Groenblauwe hoofdstructuur van Almere’. Daarin zijn, naast een visie die gedeeltelijk teruggrijpt op die van het Projektburo Almere en de RIJP, de verschillende landschappelijke structuren in de stad benoemd: wiggen, polderlijnen, plantage, rand en iconen. Verder hanteert de gemeente drie leidende ontwerpprincipes in relatie tot het landschap en groen van Almere: Voortzetten van de groentraditie met differentiatie (koesteren van het bestaande en uitbouwen met gedifferentieerd gebruik); van introvert naar extravert (meer gebruik maken van landschappelijk kwaliteiten aan de randen van de stad) en voor-investeren in Oost en West (dus de gebieden Poort en Pampus én de gebieden Almeerderhout en Eemvallei).

Langs deze structuren en met deze principes zijn vervolgens de afgelopen jaren dertien projecten uitgewerkt. Dat gebeurt nadrukkelijk in samenwerking en dialoog (bosdialoog) met bewoners, maar ook met gemeente, Staatsbosbeheer, Flevolandschap, Provincie en Rijk. Niet in de laatste plaats om de kosten van de projecten (>300 miljoen Euro) te kunnen dekken.

Bij een aantal van deze projecten gaat het om onvervalste landschapsontwikkeling, zoals bijvoorbeeld in Pampushout waar een polderbos dat aan de ‘achterkant’ van de stad terecht was gekomen weer een echt stadsbos werd. Bij andere, zoals de Eemvallei, wordt in de geest van de Buitenruimte, gewerkt aan een nieuw landschap en natuurontwikkeling in een gebied waar de loop van de oer-Eem als aanknopingspunt gebruikt wordt. Ook Almeerderhout wordt steeds verder ontwikkeld en verfijnd qua beheer, samenhang en herkenbaarheid. Zodat het echt hét stadsbos van Almere kan worden. In grote lijnen zijn dit projecten die in de geest van de visies van Zalm en latere landschapsarchitecten worden gecontinueerd of gerealiseerd.

Daarnaast dient de stad de verhouding tot het groen en landschap voortdurend te herijken, aldus Kersten. Dat wordt afgedwongen door discussies en veranderende zienswijzen over beheerskosten, de roep om circulair denken en de noodzaak van duurzaamheid en energietransitie. Veel van deze programma’s kunnen en zullen impact hebben op zowel de kwantiteit als kwaliteit van het bestaande landschap. Er wordt in de omgang daarmee door de gemeente gewerkt met verschillende waardes van de natuur voor de stad: de basis (bronnen en diensten), de beleefbaarheid (beleving en toegankelijkheid) en de identiteit (imago en ‘groene’ iconen). Zaken gerelateerd aan klimaatveranderingen vallen in dat geval in de categorie basis. De invloed en gevolgen van verstedelijkingen zijn meer te relateren aan de categorie beleefbaarheid. Andere aspecten die hierbij aan bod komen zijn, bijvoorbeeld, toerisme, demografische ontwikkeling en gezondheid.

Er komt dus veel op het groene Almere af en dat zorgt voor een bepaalde druk op het ‘systeem’. Die druk is zowel positief (kansen) als negatief (bedreigingen) te kwantificeren. De omgang met het groen vraagt daarom om een zorgvuldige en uitgebalanceerde dialoog. Een die continu gevoerd, en ververst wordt. Daarbij is het zaak een weg te vinden die zowel de kwaliteiten (o.a. wonen in het groen, robuust groen-blauw raamwerk, veel recreatiemogelijkheden, gunstige ligging in de regio en hoge biodiversiteit in de stad) als aandachtpunten (o.a. imago, vestigingsklimaat, verhouding rood/groen, verbindingen tussen natuurgebieden en klimaat-adaptieve inrichting) honoreert.

Om die balans te vinden is een eenduidig of eenmalig antwoord of visie niet realistisch (laat staan mogelijk). De vraag naar de relatie tussen stad en groen is daarentegen een constante, deels repeterende plaat waaraan steeds weer geactualiseerde vragen en antwoorden worden toegevoegd. De vaakst gerepeteerde vraag in relatie tot groen en landschap is ‘Wat voor stad Almere wil zijn?’. Hoe en waar is de stad meer dan een optelsom van groen en stedelijkheid? Vanuit het steeds opnieuw vaststellen van criteria kunnen vraagstukken met betrekking tot stedelijke verdichting, klimaatverandering, energietsransitie, bewonerswensen en financiering effectief, maar slechts voor een tijdelijke duur beantwoord worden. Er doemen immers onvermijdelijk weer nieuwe kwesties en vragen op die een bijstelling van het eerdere antwoord betekenen.

De factor tijd waar Zalm over sprak heeft zo dus in de loop der jaren een andere betekenis en lading gekregen. Waar tijd aanvankelijk voor geduld en flexibiliteit stond, moet het nu meer gelezen worden als relatief en voor het in acht nemen en het besef van bepaalde groene houdbaarheidsdata. Groen is daarmee in de jonge geschiedenis van Almere nog nooit zo vanzelfsprekend geweest als een factor met potentie, maar was ook nog nooit zo ambivalent. De vraag is wat deze paradoxale situatie voor effect zal hebben op de verdere verkleuring van Almere. Worden het geleidelijk meer tonen groen of ontstaat er een veelkleuriger pallet? Zeker is echter één ding: groen verandert eenvoudiger in rood dan andersom…

META

Lezing, verslag, Christian Zalm, Hester Kersten

De lezingenreeks Polderperspectieven is mede mogelijk gemaakt door Cultuurfonds Almere, Rabobank en vele vrijwilligers.

Cultuurfonds Almere

Polderperspectieven: Lezing 1, 23 mei 2019, Christian Zalm VIDEO

omschrijving

Lezing 1: De Groene Identiteit van Almere: ontwikkeling van een stadslandschap

Christian Zalm is één van de ‘founding fathers’ van Almere en werkte als landschapsarchitect van 1972-1987 aan het ontwerp van het Almeers stadslandschap. Zijn bekendste werken in Almere zijn de begraafplaats in Almere Haven, het Almeerder Hout en het Cirkelbos.

META

Lezing, videoregistratie, Christian Zalm

visieschets van Almere, vanuit de auto, Teun Koolhaas,